285
vreugde haar te zien krimpen onder kastijdingen. Ook Willie onderging genots-ontroering bij de mishandelingen. Schele Bertus, haar vroegere souteneur, leek geen doetje; integendeel, een der gemeenste Zeedijk-boeven. Al de lichtekooien beefden voor hem, zoogoed als voor Rooie Dirk, Blonde Leendert, De Porstok, Boerebakkie, Mottige Toon of Lange Frans. Die dwongen de meiden en porden ze de buik open als ze weigerden. Die wouen een vrouw als zij niet wilde en vertrapten haar zoodra ze wél begeerde. Voor Schele Bertus had Blonde Willie geen liefde gevoeld, maar voor Blonde Leendert veel. Hoe meer de wreede souteneur Willie ranselde, hoe sterker ze voelde dat de kerel haar alleen en boven al de andere wijven liefhad. Mottige Trien en Schone Bertha doorleefden het zelfde slaaggenot en ze spraken er altijd over;... als hun kerel niet ranselde had hij een ander liefje; voelden ze zich doodongelukkig.
Deze ziekelijke koestering van liefdegevoel kende Leendert op een prik en hij misbruikte zijn sluw inzicht door altijd te kastijden en te doen alsof hij voortdurend verliefd was. Maar bij Willie onderging hij de lévende en echte jaloezie gelijk een foltering. Hij heette nu eenmaal een gemeene inbreker en dief, maar nog feller pooier, en daarom sloeg hij haar bij de kleinste tegenspraak blauwe oogen of een krommen neus. Zijn razernij barstte het hevigst los als hij bedacht of meende zijn vreeselijke boevenmacht over Willie te verliezen, zijn macht van angst-aanjaging en moorddreiging. Dan gilde en grijnsde hij:
— Je wil van me af hè? ...
En al ontkende ze dan nog zoo sterk, hij voelde het ־־ als mogelijk en daarom moest hij haar knauwen. Argeloos had hij haar onlangs met Mooie Karei ontmoet, terwijl ze samen praatten. Zijn oogen brandden inééns rood. Hij wist wel dat Karei Burk liever zich de polsen afhakte, dan een pooiersmeid te rooven, maar Willie wantrouwde hij; ook haar kleinste beweginkje, waar zijn