284
van niets-doen vernietigd, kon hij melk gaan halen. Willie bracht hem het meeste op. Blonde Leendert had zichzelf den Koning van den Zeedijk genoemd, om zijn harem-achtigen hofstoet en zijn overheersching van al het geboefte. Hoewel een uitmuntend smid, werkte hij nooit. Zou voor zijn stand een vernedering heeten. Vroeger inbreker, leefde hij de laatste jaren alléén van de vrouwen. Maar hij zoop en speelde zoo grof, dat hij nooit poen genoeg ontving. Toen kreeg hij het fortuintje met Willie. Het blonde scharreltje was jovene! Zij moest met haar lichaam veel geld voor hem verdienen, maar tegelijk prikkelde dat zijn natuur tot een dolle jaloezie. Als een vreeselijke kwelling onderging hij de tegenstrijdigheid van zijn handelen en willen. Ieder maal drong hij bij Blonde Willie er op aan, gauwer klaar te staan voor de betalende kerels en telkens wanneer zij terugkwam en zich had verkocht, schold en raasde hij als een krankzinnige en ranselde hij haar af. Zijn jaloersche woede mierde hem half dood, want Blonde Leendert hield van Willie op zijn manier. Weg te rammelen over de hobbelige keien met de dievenkar was niet zoo erg als haar te zien verschijnen na de gekochte daad. Hij schold in bezetenheid dat hij vuurmakers vrat, terwijl zij zich met de kerels amusement verschafte en in verfoeilijk zelfgenot buiten hem, haar sletten- hartstocht bevredigde. Dat werd juist Leendert's folterende en scheurende pijn. Hij kon niet dulden dat ze genietingen gaf; hij wilde haar voor hém alléén. En toch,... vóór ze een klant ontving, sprong hij de gang in, leerde hij haar nog eens met liefelijkheid te jatten en alles in te palmen wat ze van zoo een varken los kon morrelen. Tusschen deze twee driften: geld-begeerte die ze alleen kon stillen door haar lichaam te verkoopen, en jaloezie óp dat lichamelijke, knelde hij haar en zichzelf in, en wat hem oorspronkelijk was een haat-wrok uit gekrenkt liefdegevoel, werd een ziek genot, de
Jovene: uitmuntend.