283
Coba, Dordtsche Fie en Zwarte Riek; doch de favorite was Blonde Willie. Ze waren de wacht van zijn booswichten-bestaan en allen schatplichtig. Maar de uitverkorene, Blonde Willie, had hij op een ontzettende manier in zijn macht, omdat zij de willigste, meest bevreesde en mooiste van zijn harem bleek. Hij had haar geruild met een kameraad, die Blonde Willie eens zóó had getrapt, dat ze een jaar in het gasthuis een onderkomen moest zoeken. Toen was ze, na haar terugkeer in de danskroegen, in de nog wreedere handen gevallen van Blonde Leendert, die haar met lokkende en hypnotisee-rende pourparlers het hoofd op hol had gemaakt, al wist ze zelf niet dat haar vroegere souteneur, alleen door ruil met Leendert, zijn recht op haar afstond.
Leendert sprak van sjanken, als ze maar de pit erin hield. Ze moest maar link toeknijsen en niet meer piemelen. In een gondeltijysie zou ze niet meer getrapt worden, want hij had zelf haar eersten gooser af,geknokt.
Huilende Willie bezag den blonden, slanken en kat-vluggen kerel, met zijn mooi haar en zijn fijne middenscheiding. Hij praatte zoo link, glad, en alles lei hij met dubbele gedachten open. Zij kriebelde even haar dunne vingers door zijn blond snorretje en zijn zijzacht blond baardje; toen perste ze hem met een snik een zoen op den mond en Leendert klakte wellustig met de tong. Blonde en Mooie Willie was pekaan en over haar wijspen schoof hij een vergulden veemsteker met een valschen diamant.
Nou kon hij er vrij óptofïelen; werd Willie zijn angstige slachtoffer. Toch niet zonder den boef zélf in een verwarrende, innerlijke ellende te brengen. Juist omdat hij haar van een anderen kerel had overgenomen, vreesde hij met schrik en woede dat een ״ander lief" haar van hém weer zou afnemen. Dan was zijn lui en lekker leventje
Sjanken: trouwen. — Piemelen: huilen. — Gondeltijysie: bordeeltje. Pekaan: hier: voor hem gewonnen. — Wijspen: wijsvinger. — Veemsteker: ring. — Optoffelen: op slaan.