279
dorven, in deze tuchtelooze buurt veiliger dan in de Willemstraat, onder het afgunstig geklepper en valsche gegluur der jaloersche wijven en kerels. Hier onthulden ze Karei Burk al de geheimen van hun eigen open-bloeiende hartstochten en hij drong intuïtief dan zóó diep in !hun verborgen wezen dóór, dat ze éérst ontsteld hem terugduwden en afweerden. Zoo iets verwachtte hij en toch wist Karei dat hij de waarheid had gezegd.
Op zijn wijze poëtiseerde Karei zijn ontrafelingen van hun vrouwelijke karakters en eigenschappen. Hij was niet bruut, rauw, klaar-voor-de-daad, maar hij speelde het minnespel met vuur, met zeer fijne gewaarwordingen en onbewust geestelijke genietingen. Hij voelde niets voor de liederlijke ontuchtigheid zijner kameraden, de smerig-krenkende taal en de beestachtige paringsdrift. Onder drinkgelag en verhitting ergerde Mooie Karei zich zelfs, als een schaaimteloos-wreede en barbaarsche, bloeddorstige pooier zijn meid, van wier schande hij leefde, uitschold en dan hijgend genoot van hartstochtelijk-uitgespogen be-leedigingen. Wat Karei de onbedorven, toch levensgul-zige meiden onthulde, was niet het gemeene, waarvan ze zelf alles wisten en vermoedden, het sexueel-opgekropte begeeren, hun drang naar verdooving en zwelgpartijen,... het was het liefdegevoel zélf, de duizelende dronkenschap van het liefde-geluk, waar de wellust slechts zeer zacht langs stroomde.
Maar den laatsten tijd leek in Karei Burk al dat zoet-hartstochtelijke weggestorven. Tót Corry den Zeedijk weer bezocht en razender, verliefder dan ooit hij verloren ging in eigen gemoeds-stormen. Nu overviel hem weer de liefde-koorts, zoodra hij van verre al den wilden kreten-galm van de kroeg- en dansmuziek hoorde en de Zeedijk, ros en helsch overgloeid, voor hem uit lag; die smalle, van levenslawaai kokende dijk, met zijn wrakke huizen, rauw-gillende en lallende schepselen. Hoe schel en krankzinnig de muziek-jammer der kroegen ook zijn