278
dominee Pekpoeier kon hem ook bestrooien met waarschuwende woorden en hem zalvend over de ziel strijken. Maar hij crepeerde liever in het schuwbarige logementje ״Maagdenburg" op het stiekeme Kuipersgrachtje, dan te likkebaarden naar bekeerde vroomzinnigheid. Hij verlangde, hoé kort ook, te léven in al zijn kracht en in ongetemperd genot. Hij wou zélf een pad kiezen, al liep het regelrecht naar het majem of den dood. Wat hem zelf vormde en schokte en wat er bleef onder de werking zijner eigene dubbele gedachten, dat zou hij zich verzorgen.
En zoo bleef hem het minnespel met de vurige rokken-zwaaisters een zaligheid. Karei slurpte den doorzwoelden geur van hun lichamen; hij hunkerde naar hun liefde en naar de openbaring van hun verdriet. De hoffelijke conventie der opgevoede heeren tegenover vrouwen was in Karei Burk een natuurdaad. Hij wou dat al de vrouwen van zijn vechtmoed en geweldige lijfkracht gebruik zouden maken, onder de hachelijkste omstandigheden. Het werd geen loos babbeltje, dat het zinnelijk be-geeren hem stoeiend de lippen opdrong. Hij meende het diep en bewees met feiten. Al wat er groeide en bloeide in zijn hei-bewogen, oproerige maar onbewust visioenaire ziel, dat strooide hij voor de schoenpunten der buurt-vrouwen, verkwistend en verbluffend. Hij troostte de neer-getrapten. Hij beurde ze óp met kwinkslag na kwinkslag. Hij speelde den grappenmaker en hij was een soort beschermer van de meesten en een stout lefzetter voor allen. Ze bewonderden Karei, al beefden ze voor zijn drift en vechtwoede. Maar niemand liet zich door vragende stemmen van vrouwen zoó gauw weer zoetpaaien als hij. Onder den zwirrel van zang, het verdoovende, orgelachtige geraas der harmonica's, had Karei zijn meest gelukkige uren. Zeer verliefd, altijd verliefd, zwierf hij met de mooiste Jordaanmeiden, nog ongeschonden en onbe-
Majem: water.