277
hoe roekeloos en lichtzinnig vreemde varensgezellen, scheef-smoelige Chineezen, gek-toegetakelde Maleiers met stroohoeden en op witte pantoffels, deze buurt met haar kolkjes en war stegen inzwierven, dan nam hij zich in eigen genotsbevrediging voor, mee te slenteren en een oogje in het zeil te houden. Al haatte hij politie als gezags-ranselaars en stille smerissen als vuile insluipers, toch hielp hij ze, door zijn ridderlijke hulpvaardigheid, zijn dollen, toomloozen moed, zonder het zelf te willen, tegen het geboefte.
Soms, en wel plotseling, kreeg Karei een kokhalzenden walg van de vroolijke buurt. Tusschen het bedwelmende dansen, zuipen en vechten, het heet-opjagende lollen en scharrelen, voelde hij zich lijk een verongelukte Hein, rampzalig en diep melancholiek. Wat woü hij eigenlijk bij die smiechtige jatters, zakkenrollers en roovers, die vuns stonken in hun werkkleeren naar oude schuiten, parkbanken of wagensmeer? Dan bleef hij een poos weg en als een échte Jordaan-jongen verzette hij de bakens naar de Pijp of Indische buurt.
Plots werd hij na weken weer dronken van zijn eigen krachtsbewustzijn. Wat?... Zou hij voor die robbe-kloppers en leelijke getuigen-jassen wegblijven? Was hij bemore? Hij? Alles was weer joppe in hem. Dan kon hij zich niet langer zelf misleiden. Hij haakte opnieuw naar den rossen roes van den Zeedijk, naar de ontroering, het stralende en verhitte leven. Neen, nu wist hij het weer, de prikkeling van het wisselende en bonte gerucht dezer misdadige buurt had hij noodig, was hij aan verslaafd geraakt. Hij zou er in ten onder gaan, dat voorvoelde hij vaag, als in al zijn hartstochten, maar dat deerde hem niet.
Ginds, grinnikte hij sarcastisch, was nog het grimmige zondebankje van de Halleluja-juffertjes, die hem met vroom en lijzig gezang zouden begroeten. Zoo een
Bemore: angstig.