276
op sombere en stormachtige avonden langs het uitgestorven Kolkje liep en hij zag den nacht zwart grijnzen en tusschen zijn eigen zwarte water-schaduwen wegsluipen, en hij zag op het verschrikkelijk-verlaten en gevaarlijke Kuipersgrachtje in de stikduistere hoeken en steeg-kron-kelingen, schooierige zwervers schuilen in waterpijpen of smerige karren, dan rilde hij van ellende-gevoel en griende er een menschelijk meelij in hem rond, dat naar een woedenden uitweg zocht, al schaamde hij zich voor zijn eigen teerhartigheid. Dan, met schokschouderen en een verdrietigen lach, liep hij den ópvroolijkenden Dijk weer over, waar hij afgebeulde zwoegers hoorde zingen en joedelen. Maar van binnen toch zoo vergiftigd en vergald van chagrijn-stemming, dat hij veel gauwer watje-toe's onder de luidruchtige pooiers uitdeelde dan hij zelf wilde. Hij hoorde het schelle muziek-lawaai in een ver-dcovende moedeloosheid; hij zag op zomeravonden de stoepen vol hurkende en lurkende vrouwen, met gifstemmen elkaar bekijvend; hij zag het geloens, gegluip en gesluip der boeven, afzichtelijke tronies en moordzuchtige koppen en altijd toch... zwierf hij weer terug naar de verborgen plekken van het duisterst Amsterdam, tusschen Wijngaardstraatje, Oudezijds- en Wijde Kapelsteeg, met hun schauwe en vunswalmende logementjes. De bloedrood beschenen maar duister-getemperde gordijntjes der dievenkroegen, het schemerlicht der slaap-stee's, de fluisterende souteneurs-stemmen op de dooréén-warrende kruispunten der Burgwalletjes, hij wist wat ze beloofden en de kerels besmonselden, onder een vale lantaarnvlam in het avondduisteren. Altijd weer doorleefde hij in zijn eentje het donkere, geheimzinnige nachtleven dezer vreeselijke buurten, waar de burgerij daags lustig en rustig doorheen kuierde zonder een asempje idee van het beestachtig-gemeen dat te loeren stond achter jaloezie-latten, scheemrige horretjes, uit achterkelders aan het morsige water of uit spiezetjes met draaideuren heel aan den nok. En als Karei Burk dan zag