275
viel dan wou hij weten hoe dié wrange, koele, strakke, of dié fijne en coquetteerende zich zou gedragen onder dat onuitspreekbare, hét verlangen, ze allen onrustig doorjagend; hoe ze dat zoete geheim van hun vrouwennatuur, dat verborgene, weggeplooide, zouden onthullen in hun 1 minneleven en liefde-daden. En vaak dreef hem een verlangen naar de ontraadseling van dat aller-intiemste vrouwgevoel gretiger tot handelen, dan de zinnelijke , genietingen zelve. En al deze schepselen, in de volle woeligheid van hun daden, of in de sombere drift van een beangstigend zondegevoel, ontmoette Karei op den Zeedijk en in zijbuurten. Niets bedwelmde Mooie Karei zoo als de lévende straat, bracht hem zoo snelle en wisselende gemoeds-bewogenheid; het opene en vrije bestaan dezer menschen in hun wemelende soorten. De lage losbandigheid der liederlijke en dronken dellen tusschen de vechtende en jattende capsonesgasten, in al hun streken, listen en diefachtigheden, boeide hem even sterk als de schuchterheid van een nieuwelinge op de vlakte, die kampte tegen haar instincten en hartstochten. Wat Karei Burk daar bekeek, zag hij niet, maar wekte een wonderlijk spel van zijn grillige en duistere droomen, waaronder de werkelijkheid verzonk. Dan eerst werkten de diepere instincten en de oerkrachtige energie van zijn diersterke mannennatuur in een dolle en overdadige verkwisting van levensmacht. Heel de ongebondenheid van zijn aard en de wilde losworsteling van dwang, tucht, liet hem droomen van een onbeperkte handelingsvrijheid en een leven en gelukkig wezen, geheel op éigen wijze. Hij huiverde, zonder er zichzelf iets van te kunnen verklaren, onder den aandonkerenden hemelgloed der zware en heete avonden, zooals deze 's zomers neerzonken over het Y, en de lucht paarsgoud en wonderlijk zacht-stralend deden nalichten boven den rooden damp van het Centraalstation; een koel briesje zilt de Prins-Hendrikkade langs woei naar den broeischen en zwoelen Zeedijk. Alles beroerde hem in de groote-stadswijken. Als hij 's winters,
»!8