275
heviger drift haatten dan den stille, en de ״fatsoenlijke" burgers. Hij kende de wraakgierige sluipaanvallen van pooiers die in het stadsduister, in parken of nabijgelegen wijken hun meid in het nachtdonker volgden en op een afgesproken teeken den klant besprongen, hem de oogen blind gooiden met straatstof of zand. En zonder zelf een heilig boontje in het vechten te zijn, vlug en lenig als een aap, verafschuwde Karei toch hun valsch-gniepige en sluwe verminkingen, hun oneerlijk-listig vuistgebruik en hun dierlijke wreedheid.
- En toch, al kende jaren aan jaren Karei heel het venijn en den dollen haat der Zeedijkdieven en inbrekers, het verachtelijk-onbeschaamde der gevaarlijke dellen; ondanks walging en afschuw die hij onberedeneerd voelde voor het schandbedrijf van de zich verkoopende vrouwen, rillend van hun armzalig zwerfleven in de stinkende luimspie-zen, tusschen loensche schavuiten, brandstichters en moordenaars,... tóch had die ros- en rood-overgloeide Zeedijk een aantrekkelijkheid voor zijn avontuurlijken geest. En voor al de vrije en stouthartige Jordaanjongens. Er was iets tusschen het bonte en blufferige gewoel der hoeren en hun kerels dat hem boeide, roerde en vastgreep. Héél het donkere Amsterdam prikkelde zijn brandende verlangens naar avonturen. Zijn bekussende zitterik kon hij voor den ouden dag vergulden. Nu, nog jong, zocht hij zijn vertier in de slecht-verlichte schjaskelbajes, zoo goed als in de schelle danskroeg. En zoo heel anders dan Stijn, ging Karei Burk om met sliegeraars en insluipers, dieven en misdadigers van allerlei slag. Zijn oersterke slaapkop van een broer lijsde er onverschillig en gevoel. loos zijn sulwoord tusschen. Karei niet. Op den Zeedijk
klonk jool, scherts, lach. Er vlamde licht, er zong muziek. Het roerde en beet en knaagde in zijn ziel. In alles deed en leefde hij vurig mee en een verdoovend genot vond
Stille: rechercheur. — Luimspiezen: slaapsteeën van minst allooi.
— Zitterik: stoel, — Schjaskelbajes: bordeel-kroegjes. — Sliegeraars: verraders.