274
die zijn trage klauwen alleen gebruikte om zijn ״slet" te ranselen als haar lijf te weinig opbracht; daar een verzopen arbeider, doorbrand van misdadige moord- en vecht-instincten, die niets liever dan bloed en duiten zag. Elders weer een lustelooze leeglooper, die de beangstigde en naar genegenheid hunkerende meiden ontstelde en afstootte met een afzichtelijk-gemeene dreigtronie, of door een bestiale woede en overheerschings-drift ze tot onderworpenen en starende willoozen maakte.
De kleine, gevaarlijke logementjes der modder-morsige zijstegen en rat-grauwe Achterburgwalletjes, om-huiverd van een vaalrood lampschijnsel, in de rimpelende grachtdiepte weggedoken bij brak vuil water en rottende uitwerpselen, had Karei als Jordaan-jongen van zeventien al bezocht. Hij was toen al stikduistere gangetjes ingeslopen en trapjes opgeklauterd, twee handspannen breed, moord-donker en leidend naar verborgen hokken waar liederlijkheden werden bedreven, zóó gruwbaar, dat hij er nog van rilde als de herinnering begon te werken; holen, waar geen agent binnendrong, al waarschuwde hij nieuwsgierig-glurende voorbijgangers. Dat alles had Karei binnen balie, en van naald tot draad kende hij de geschiedenis en de lotgevallen der voornaamste Zeedijk-booswichten. Geen kroeghouder van deze wijk, of Karei had hem de oogen ingeloerd. Met Stijn had hij de „jonges" ontmoet, de valsche kaartspelers, de kwartjesvinders en de exploiteerders van minderjarige meisjes. Onder ver-hittenden drank en vadsig geluier, hun snoeverij aangehoord. Hij kende hun symboliseerende taal, hun wulpsche gemeenheid en het laf-moordzuchtige van hun brutaal karakter. Ze schimpten op handenwerk en „peesen". Ze speelden met vlijm-geslepen messen en allerlei getatoueerde steekwapens. Ze oefenden zich op elkaar in het hanteeren van gummislang, doorscherpt met hoefnagels. En Mooie Karei wist, dat al de souteneurs-misdadigers niets met
Pcesen: ploeteren.