266
— Huil je ... moeder?... Nie doen mensch ... ik doch je sterreker ...
Hij hoestte weer met zware schokken, dat zijn bed schudde.
— As... as ... God d'r nou maar gauw... een end an maakt.
Jan leed hevig en toch wou hij Nel niet aanspreken.
Een mensch moest niet klagen, wordt toch nooit begrepen. Alleen zijn nachten,... slapeloos,... dat vreese-lijk luik boven hem ... éénzelfde stukje hemel... Nee, hij kón op den dood niet wachten!
— Sie je moeder,... ik heb geen geduld... Dat wachte op de dood... As God... d'r nou maar gauw 'n end an maakt... Die pijn!...
Nu kermde hij toch en greep naar zijn borst. Benauwd keek Nel rond. Ze zou het niet langer houden! Snikkend lei ze wat neer, drukte hem de polsen en ging toen snel weg. Tóch had Jan haar wat willen zeggen.
Een paar dagen later kwam ze weer oploopen, bracht ze wat verfrisschends mee. Nou zag ze den droeven glimlach op Jan's ingezonken gezicht. Even klaagde hij weer over de alleene nachten. Geen óóg dicht.
— Sie je moeder,... dat is nie te harde ... as ... as ... God d'r nou maar 'n end an maakt...
En weer, doodzwak en uitgeput, vertelde Jan van Hoorn dat hij toch nog een paar koude guldens had overspaard voor zijn begrafenis. Nel zei hij het graag... het lag hier, in dien hoek links,... onder zijn boendertjes in dien rooden zakdoek.
— Nie ... nie fan de arreme begrafe,... moeder! Achter zijn adem zoog de benauwde borst lucht, zwak-slurpend als het geluid van een afgegliste schaafkrul. Toen viel hij in een half-bewusteloozen sluimer, de oogen wijd-bewe-gingloos open. Nel kón niet meer en rende weg. Ze waarschuwde de buren en haalde zelf den dokter. Toen deze 's middags het gezengde krotje instapte, bleef hij paf van zoo een armoe, aarzelend rondtasten. Nel bracht hem bij