264
meterboekje. Die guit zong dwars door zijn misère heen. Jan van Hoorn bleef stil, mijmerend en heelemaal in zichzelf gekeerd, te midden van het menschengewoel, afgezonderd alsof hij alleen op een eiland woonde.
Maar nu ze voor zijn bed stond wist Nel zich niet langer in te smoren. Ze voelde zich wee en naar, onder de lucht van het vochtig-rottende beschothout en den stalachtigen stank van het vervuilde stroobed. De oude man keek, toen Nel nader schoof, vreemd-wezenloos naar haar óp. De holle, groene oogen bestaarden haar strak en om zijn mond zenuwschokten schichtige pijntrekken. Zijn ingezonken wangen leken in het groezelige luiklicht van zwart vel overgrauwd. Eindelijk uit de wezenloosheid traag tot besef gerakend, scheen hij Nel te herkennen en plots schoot om zijn ontvleeschden mond een trek van smeekende hulpbehoevendheid. Hij "probeerde dadelijk zijn armen onder een paar dekvodden uit te werken en overeind te kruipen. Maar Nel belette het hem toen ze zag hoe hij lag te beven van koortskou in het smoorheete krot. Nel schreide nu onverborgen, bukte in naar zijn trillende oogen die plots ontroerd en koortsig blonken van een onverwachte blijdschap.
— Ik... ik ben siek ... heel siek ... moeder,... stamelde hij met een benauwd-hijgende borst naar Nel. Nel wou hem sussend doen zwijgen, sprak er van, gejaagd, dadelijk den dokter te zullen roepen. Met diep troosteloozen glimlach, die als een zachte pijntrek den mond ontstrakte, weerde hij haar diensten af.
— 't Is nou toch gedaan ...
Hij had ommers al zooveel drankjes noodeloos geslikt. Wat hij noü naar buiten bracht, daar hielp geen likpot, geen staal, geen droppels, geen boerenradijs meer aan. Als smaak en spog zoo zuur waren als hij nu proefde, dan was het afgeloopen.
Weer wilde Nel er iets bemoedigends overheen pleisteren en weer grabbelden zijn bevende, uitgemergelde handen naar haar toe.