363
nuwmond ingedrukt om haar eigen ontroering en haar snikken te smoren.
Ze wist wel dat de oude hoester tering had, maar dat het zoó gauw met hem zou afloopen kon ze niet vermoeden. Toen ze zelf, vele maanden van Frans' werkloosheid geholpen werd, dorst ze dien vreemden buur niet te bezoeken omdat ze, in armoe, met leege handen en een kletsenden snater komen, een gruwel vond. De buren zouden haar toegekrijscht hebben: Zég Nel Stampvol!... roof het brood niet van je éigen bloed en vleesch! Zelfs Neel Burk zou het vervloekt hebben te helpen als ze had gehoord, dat Nel van de gekregen hulp andere ״vreemden" wegdeelde. Daarom had ze ook niet naar Jan van Hoorn durven vragen. Ze draaide er wel schuw omheen en wel vroeg ze: „Hub jullie die oude stakker nog eens bezocht?... Misschien leit hij wel te krepeere in zijn eentje,... hij is d'r ommers heel alleen op de wereld?"... Maar de buren antwoordden met zulke schauwe grollen en schimpende grappen en met zóó felle haat-uitvallen naar den „vuilen hoester" die 's nachts al de kinderen wakker blafte, dat Nel, om zich niet meer te ergeren, de informatie staakte. Zoo een vent drong, naar het buurt-gevoel, de eigen lui het vaarwater uit en hoe eerder hij van de trappen danste, hoe liever dat den Jordaners was. Nel kende de hardvochtige, wreede onverschilligheid voor een „vreem-pie", een wijk-insluiper, een jajemer en kitteloorigen drinkebroer die misschien zelf een stiekem krautertje bleek.
Maar Nel dacht telkens aan Kilometerboekje, ook zoo een mismoedig zwerver, van wien ze nu al bijna twee jaar de stem niet had gehoord. Ook dié robbedoes kon op het oogenblik dat zij fijn zat te schransen, wel hier of daar onder den naakten hemel te sterven liggen, zonder dat een menschelijk schepsel hem zacht de oogen toedrukte. Wel was Jan van Hoorn een heel ander oudje dan Kilo-
Jajemer: drinkebroer. — Krauter: politie-agent.