a6o
gezichtsvel van Nel, blij dat ze nu het paard niet meer aan den staart te betoomen hoefde. Van haar man's plannen was de eerste steen nog niet gelegd. Dien beweerde wel dat hij schitterend zou slagen met een asyl van miauwende katers, kromme en jankende honden, roffelende kanarievogels en kool-verslindende konijnen, maar Nel schudde het hoofd en spoelde zijn verfkwasten uit. Dien's mond opende zich snel op en neer van verbazing als een kieuwdeksel, onder Nel's spottende onverschilligheid voor de mooie plannen. Ze bedacht in de vlucht wel stekelige antwoorden; ze vond haar broer een ״snotdolf" en een „lijmperseel", dat hij zich zoo liet beschateren door zijn ruw wijf, maar intusschen ging Nel verder en keek over Dien heen. Tot haar ontsteltenis zag ze den ouden, hevig-hoestenden buurman van vierhoog-achter, neven haar huis, niet meer de trap afstappen.
Jan van Hoorn, die geheel vreemd en onbekend een zolderkrotje in de Lindestraat bewoonde, voor zestig centen weekhuur, werd door niemand in de buurt aangesproken. December van het vorige jaar had hij het vertrekje betrokken, klauterde Jan hoestend en hijgend de stikdonkere trappen op, met zijn uitgeteerde lichaam; maar Februari was hij zoo ziek geworden dat hij zijn straathandeltje niet meer kon voorttrekken.
In vier volle maanden had Nel hem niet meer op de keien gezien. De oude hoester en zwerver, naar de buren dachten, liep met boendertjes. Zwaar voorover gebogen als een spitter, schoof hij langzaam den weg af, half blind en onzeker om zich heen tastend. lederen morgen hoorden de Lindestraters zijn vreeselijk-scheurenden hoest als een donker geblaf door de buurt. lederen morgen om negen uur begon hij zijn rondgang in de stad en iederen avond laat keerde hij weer, doodmoe, stil en krachteloos, het hoofd zwaarder ingebukt naar den grond, nu en dan leunend tegen een stoep als een hoestkramp hem overviel en blauw wurgde van benauwing. Nooit maakte Jan van Hoorn het een buur lastig. Hij ging en hij kwam zon