350
De wraakgierige buurtvrouwen, herademend en bekoeld na de volbrachte kastijding, voelden zich onder Leentjes smartelijke verslagenheid, diep vernederd. Zacht gegrom en dof gezwijg zonk om haar jammer heen. Met nijd en woede werden oogen gericht op het adergezwel van Ka Paraplu's gezicht en ook Mie Haarlemmer Mug voelde zich beklemd onder het stille gedreig der vrouwen.
De getuchtigde lag onmenschelijk weemoedig te kermen.
Leentje, zijn vrouw, kreeg water uit den stoelenmat-terskelder vlakbij aangereikt; bette zijn bebloeden kop en een wond in het hoofd, waar een stuk vleesch was uitgehakt. Ze wiesch het bloed van zijn nek en haren, koelde zijn gescheurde polsen en handen. Al de omstanders stonden beschaamd en geroerd om zulke aanhankelijkheid van de getrapte en mishandelde huisvrouw, die Pannetjes benauwd ademende borst ontblootte en niet eén schepsel een verwijt deed; alleen smartelijk-zacht en inwendig snikte en schreide. Toen ze hem de oogen wischte met teedere zorgzaamheid, kwam een agent. Maar honderd vrouwenhanden weerden dien af, grepen den nog pas verafschuwden beul voorzichtig beet en droegen hem stil en beschaamd den stoelenmatters-kelder in aan den hoek, een armoekrot dat als een besmet hol de Lindestraat was ingegraven.
In sombere stilte verspreidde zich de menschen-menigte.
En Leentje bleef waken bij haar afgeranselden man. Zoo ging de nacht voorbij van een ״bloedeigen" nicht van Oranje Ka, die niets bezat dan een onderworpene zachtmoedigheid, gewroken door een andere „bloedeigen" nicht van Oranje Ka, die alléén haar wraak wilde uitleven.
III.
Toen na een week Frans Scheendert weer schilders-werk had gekregen ontspande zich het scherpharde
!7'