261
los en hamerden de kastijdingen neer op zijn dan geheel onbeschermd hoofd en ontredderd, geel, afzichtelijk-be-bloed gelaat.
Scheldwoorden mokerden neer en de hartstochtelijke vrouwen, in de donkere straat bleek overglansd van het maanschijnsel, leken terecht-stellende heksen, dansend om hun walmende brouwketels in den nacht. Pannetje Pap waggelde struikelend voort, zwaaide van links naar rechts, terwijl de wijven hem al verder met stompen, hakken en stooten den tunnel uitdreven, tot hij aan het eind, gewond, bebloed, van pijn kermend en half bezwijmd, bewusteloos neerzonk met een doffen smak bij de trottoir-goot van het Karthuizer-kerkhof.
Toen ze hun slachtoffer als een berooid en zielloos schepsel daar zagen neerzwaaien in diepste vernedering, was er onder de terechtstellende vrouwen een bange driftontspanning gevolgd. Even staarden ze allen roerloos van ontdaanheid naar den afgeranselden zuiper, die met zijn aangezicht in de goot gedoken, bloedend neerlag als een geschonden lijk. En hoog goot de maan een witzilveren waas over de donkere Karthuizerboomen, die zacht ruisch-ten in den blauwlichten hemel.
Plots, van een dwarsweg, schoot een klein, tenger, blond vrouwtje aan. Ze had den naam van haar man hooren noemen. Dwars drong zij door den vrouwenstoet en de menschenmenigte die Pannetje Pap van de kroeg af gevolgd was, en naar voren rende het wijfje, jammerend:
— Jesis!... mijn kérel!... mijn kérel!... Heb jullie 'm tóch geslage!
Het tengere, uitgesloofd-bleeke vrouwtje huilde hevig alsof ze bij een afgestorven beminden man stond. Het had niet gedacht dat zoó gauw de buurtvrouwen hun wraak-bedreiging zouden volbrengen. Nou hadden al de laffe kerels hem in de pekel laten zweeten. Zij was toch het meest gekrenkt en in haar kracht gebroken. Daar lag nou de armhartige spartelaar, stom, met de klem in den mond.