257
en schuimde lawaai en ruzie. Uit een der bovenvensters van verre roffelde een spotter den donkeren aanvalstrom-mel, wat benard en onheilspellend de wraakstemming der Jordaners verergerde. Ka Paraplu's snoekenkop gloeide scherp en vlekkerig óp in het lantaarn-schijnsel. Met Mie Mug bukte ze zich over den op de keien kronkelenden en zich modderzwart schurenden Pannetje Pap, die schokte: onder de hondsche handen-aanraking der wijven, alsof hij een sidderrog had vastgeklemd.
De meiden scholden hem voor oorworm en pissebed en joolden smaadnamen naar den dronkaard.
Eindelijk hadden honderd klauwen Pannetje Pap op de wankele bibberbeenen gezet. Hij voelde den ver-schrikkelijken straat-adem als een heeten, zuigenden walm om hem heen. Ze wezen hem dat hij weg kon van hier, door den tunnel van vrouwen heen.
Ze voelden de koelzinnige berekening hunner wraak, die niet spontaan was uitgekraterd en losgespogen. Met Pannetje Pap moest afgerekend om al zijn mishandelingen en de ranselende, nu toekijkende beuls zouden een les krijgen om nooit meer te vergeten. De mannen hadden gedacht dat de woedende wijven zich doldriftig op den verschoppeling zouden werpen. Dan was hij wel te onttrekken geweest. Maar zóó ging het niet, kreeg hij zijn verdiende loon. Naar twee kanten, schuin op het Kar-thuizer-kerkhof gesteld, liep de lange vrouwen-brug uit. Alle wijven hadden een pantoffel of laars van den voet gelicht en in de handen als wapen gekneld. Pannetje Pap keek met vaalgroen gezicht, bejeukte zijn paarsen saucijzen-neus en nam toen plots een sprong tusschen de vrouwen, een eind de tunneldiepte inschietend. De wraak-neemsters bijééngedrongen, muurden zich tegen elkaar vast, hieven snel de handen boven de hoofden en een woedende zucht ontkreunde als één geluid hun borsten. Klakkerend-dof klonken de hakslagen op dronkaard's kop, nek, handen en armen. Even van pijn zich inéén wringend als een afgeranseld dier, schoten zijn handen
Van Nes en Zeedijk