256
Naast haar zwartte als een moor, de kop van een schoorsteenveger.
Pannetje Pap wou probeeren een stoeptree af te stappen. Maar rond hem drongen de rijen, naar wraak-bevrediging-smachtende vrouwen óp en honderden handen grepen om zijn beenen. Dadelijk nuchter van angst, sprong hij terug en smakte zich in volle zwaarte met een zwaai tegen Platvoet's kroegdeur aan, die stom gesloten bleef. Toen inéén barstte de dronkaard in een afgrijselijk huilen uit, dat als een wilde, ontroerende jammer boven het zuchtende gegrom der ״straatmenigte klonk.
Maar de Jordaanvrouwen walgden van den laffen grienvent, die wél zijn lam-zacht vrouwtje halfdood ramde, maar zélf voor de straf en de vergelding huiverde als een inbreker voor het getraliede gevang. Een stoet witjakken sprong tegelijk de stoep op. Uit een der bovenwoningen raakte een kerel slaags met zijn vrouw, gek van wraakzuchtigheid, toen hij haar belette een ketel kokend water over den kop van Pannetje Pap uit de storten. Pannetje kermde als een bezetene en liet zich den stoepsteen afsleuren. Toen hij eenmaal op de keien lag, sprongen Ka Paraplu en Mie Haarlemmer Mug naar voren. Even zonk het geraas tot een dreigende stilte in. Ka Paraplu en Mie Mug stootten hijgend wat klanken uit en gebaarden zonderling.
— Onder onse hakke mot ie deur!
— Vangt ie 'n gebraaje hen!
De Jordaanvrouwen hadden allen begrepen, nu de vergeldende wraakfuries spraken en bevelen gaven. Als onder een plotseling commando stelden de woedende witjakken zich in twee rijen op, wild en onstuimig de opdringende kijkers achteruit duwend. Een golfgewoel brak los onder de Lindestraters. Alles drong terug. Gegil van onder den voet rakende kinderen klonk angstig als in een straatoproer bij een politiecharge. Meiden vochten met jongens op stoepen en in kelders. Van overal spatte