23
de vraag, maar op de verborgen gehouden bedoéling. Met alle schepselen God's ging Manus even gelijkmatig en bedaard om. Van bedisselen of bedillen kreeg een mensch ribbenpijn. Misschien was Onze Lieve Heer wel de grootste woekeraar der wereld, trok hij méér profijt van de misdaad dan de menschen. Hij had zélf geen lust te betoomen,... was hij daarom nou gelukkig? Een worm zuigt sap uit een wilg en sterft een krampendood. Wormen, wormen waren we allemaal. Zie ze kronkelen hier in die huizen, die kamertjes, op verborgen bedden. Nergens viel zóó het masker van fatsoen. Och, het pikante roesleven der lichtekooien had geen verborgen plooi meer voor hem. En al de ondieren en ontuchtigen van de vlakte, over héél Mokum, kende hij in hun gevaarlijke, schurftige en meest geslepen streken. Wat deed het hem? Alle menschen wapperden een vaandel van luizen op hun tijd. Zijn eigen druk maken? De wereld was geschapen en moest van zichzelf maar weer zien af te komen. Vasten tegen ondeugd, pruttelden de vromen. Nee, nee, lachte Manus,... want één vastendag schept weer tién gulzige maaltijden méér. De wereld laten tollen, dan zwaait er niks anders voor je. Neem je kladdertje op je tijd en laat de bruigom de bruid bestrooien. Spin tegen pad, zoo is mensch tegen mensch, en Manus was zoo schuw als de dageraad voor overbodig mond-geklepper. Hinkedepink, hinkedepink,... en hij vischte een spartelende biervlieg uit zijn glas. Zoó deed God met de menschen. Eerst brouwt hij gif, dan dwarrelen ze toe, en als ze bijna verzopen zijn prikt hij ze op ... Je heit vleugels beest,... vlieg! Manus mot niet!... mot niet! Hij hinkte niet aan een andermans zeer,... hij verlette geen tijd met ge-poekel... Hij zweeg... en rookte. Zoo mompelde de Bad-Aap en dommelde in zijn gedachten. Hij verachtte prooi en aanvaller. Vroeger. Later had hij ook die rustig bekeken en stil gelachen. Eindelijk ook dat niet meer gedaan; behield hij een groote, kille, doodbedaarde onverschilligheid voor alles. Waterverf,. .. dun spoelsel... de