258
van-gedachten. De Prins ... de Prins,... ach, als die nou eens ooit zooiets overkwam als Pannetje Pap. Een zalige gelegenheid om zich op te offeren! Ongenood en onbe-dankt zou zij voor Hem in de bres springen. Ze beefde van hevige ontroering. Al wat onder haar oogen gebeurde in den lichten zomeravond, doorleefde ze diep en met rillende gezukzaligheid, als gebeurende met Hem. En ze staarde bleek en ontdaan naar beneden in het vrouwen-gewoel gelijk een gehypnotiseerde, strak en verbijsterd.
Toen de gierende bent weer een ruit inwierp kwam Platvoet met Pannetje Pap voor zich uit, in de deuropening staan, terwijl de dronkaard zich verwrong en angstig terugdrong. De twee wankele leuningen van Teun's stoep waren al weggebroken. Politie-hulp gaf niets.
De wijven zouden iederen dag weer terug keeren en naar wraakbevrediging zoeken.
Toen Pannetje Pap op de stoep verscheen, de deur uitgeschoven door den herbergier, het lichaam saamgekromd van angst, huilde en loeide er een oorverscheurend stem-mengekrijsch los. Pannetje, instinctief, grabbelde terug tot dekking naar de kruk. Hij waggelde en bonsde tegen het hout, maar Platvoet had hem uitgeleverd en de deur in het slot achter hem toegeslagen. Hoera!... snerpend gefluit en een wraakgierig-wild spotgeroep klonk te allen kant en sloeg hem als een brandende golf van ziedende woede de klamme dronkemanstronie in. Hij waggelde op de leuninglooze stoep en zijn vaal-blauw gezicht leek paarsgroen onder de valsche mengeling van lantaarnschijn en zilverig maanlicht. Een beestachtig, half rochelend geroep brak los:
— Hiér adderkreng!... hiér langest je kromme latte!
— Ouwe brasem!
— Glimmend gassie!
De laffe zuiper wankelde, slingerde aapachtig schuw de lange armen rond zijn onbeschermden kop. Een meelijdende vrouw van een eerste étage gilde rauw;
— Geen messe wijve!