354
— Stil!... donderde Stalen Toon,... IS 't wijf spreke!
En Dirk Pepermunt riep mee:
— Stilte!
— Bloedeige nichie fan Oranje Ka,... vervolgde Ka Paraplu,... soogoed as ikke!
En met furiënden trots vertelde ze de omstanders dat Oranje Ka haar rok van een vlag had gemaakt en haar blouse van een oranje sjerp en dat ze in haar levende ééntje indertijd had gevochten tegen al de socialen van Amsterdam!
— In de ha-ring-ton!... zong weer een troep jongens.
— Bekke dicht!... schold giftig weer Jan Trammelant.
En Ka, de zenuwoogen dól van opwinding, vertelde door en beweerde dat de afstammeling van Oranje Ka, die de kerels d'rlui nekken knakte en kraakte als notedoppen, het niet kon dulden dat een andere ״bloedeigen" - nicht door zoo een „schiebaart" in het graf geranseld zou worden. En al de buurvrouwen bekeken stouthartige en wraakgierige Ka, de afstammeling van de fiere Oranje Ka, met gapend ontzag, omdat haar oud-tante toch alle „socialen" van Amsterdam tegelijk in één harington had gestopt en omdat zij „'t bloedeigen" nichtje van die spuithaai bleek te zijn.
Dien was bij haar schoonzuster Nel angstig en zenuwachtig vóór het vecht- en straatrumoer uitbrak, opge-loopen. De politie kuierde maar liever een straatje om, pruttelde ze naar Frans die geen woord durfde rondbrengen uit sidderende vrees voor zijn opgewonden vrouw. Op zulke uren wist hij zelf niet waar zij thuis hoorde; in den hemel of in de hel. Maar Dien stoorde zich niet aan het schichtige gemijmer van den huis-houdelijken verschoppeling, leefde alleen in éigen wereld-
Rchiebaart; hier: mormel-bakkes.