353
Al de buurvrouwen, hangend over de étage-vensters, begonnen meé te schelden en te grommen tegen Pannetje Pap's misdaad. De mishandelingen van den vrouwenbeul werden al zwarter en somberder bij-gelogen, en het onrust-brengende verhaal zijner kastijdingen groeide van raam tot raam en van verdieping tot verdieping al meer en meer aan als een gruwelijk bedrijf van zijn mannelijke wreedheid. De violette schemerlucht floerste een blank-trillend gordijn als van lichtende waterstof over de maanglanzende, donkerende straat naar omlaag, en de avond-huizen, bleek-blauw in de wazige maanzilvering, leken wittige rotsen, doorscheurd en gespleten.
En overal achter de vreemde flakkering der lichtende ruiten en de open vensters dromden de bleek-beschenen gezichten der kijkers, luisteraars en verhalers, en van weerskanten der trap- en stoepwoningen klonk schei-scherp gefluit, hoon- en dreiggeroep, tusschen de wegstervende stemmen-echo naar afgelegener wijken.
Heel de Lindestraat was in rep en roer, deinde in krioelende beweging en van de kokernauwe gangen schoot het kei-lawaai wég en aan. De tierende vrouwenstoet in den maanschijn bewoog spokerig in de witte jakken, die blauwblank vlakten boven de donkere lichamen, en een somber-fantastisch schaduwspel leefde in vluchtigen gang op gevels en over stoepen heen.
Ka Paraplu en Mie Haarlemmer Mug droegen de toortsen der woede het hoogst. Ka Paraplu was door niets meer te houden. Het vreeselijke furie-gezicht, door een adergezwel aan den neus afzichtelijk gedaemoniseerd, draaide en wendde naar allen kant waar vrouwen stonden en overal klonk de hysterische wraakhuil van haar stem tusschen het tierende tumult van de straat. Zij vertelde de omstanders dat de vrouw van Pannetje Pap, Leentje Nageldraad, een bloedeigen nicht was van Oranje Ka.
— Merk Hoera!... schreeuwde Trammelant ertus-schen.
— Hoera!... Hoera!... krijschte een bende jongens.