255
achteruit-dringen der vrouwen bracht ;een kolkachtige golving in de saamgepropte bende.
Teun verdween achter zijn deur de kroeg in. Hij had besloten Pannetje eruit te drijven. De wraakgierige stoet zou zijn heéle zaak afbreken; want Platvoet kénde den nooit loslatenden en altijd woester bijtenden driftaard der Lindestraters, voor niets terugdeinzend.
— We luste je adje.
— Soo'n welbespraakt burger!
— Li kómme de taartebak!... salie we se rande slijpe!
— Manke baffiaan!... brulde er eén uit een opgedruk-ten hoop meisjes.
— Baffiaan!... knetterden de scheldstemmen der vrouwen.
— Beest!... doerak!... pruif!... boef van de Tuinstraat! ... gierden de meiden weer.
Nel Scheendert gloeide over den raampost van spanning en meélevende woede-vreugde. Dien ellendigen vrouwenbeul Pannetje Pap met zijn saucijzenneus, zouden ze nou eens eindelijk zijn bekomst geven. Ze moesten hem de vlerken aftrappen in de gootmodder. En ze keek dreigend achter zich naar Frans Leerlap, die schuw en zacht een kopje thee zat in te slurpen in het half-donker. Nel haatte de mannen-baasspelerij weer hevig.
Haar temperament brak los als een vuur. Ze voelde zich in haar heerschzuchtige afwerping van alle vrouw-slavemij-plichten opnieuw de oude Nel. Frans kromp onder haar tyrannie. Zoo hóórde het. En ze genoot van de in haar opstijgende vlaag van dolzinnige drift. Daarin koelde ze haar wrok op alles. Ze kon nü zoomin als vroeger armoe of onrecht zien. Ook nu weer mengde ze zich met heete gretigheid in het straatgeraas en ze schreeuwde naar beneden dat ze den vent moesten rossen tot hij er half dood bij te krimpen lag!
Adje: diender (agent). — Pruif: dronkaard.