51
Van alle kanten uit den schemer tuimelden de vloek-stemmen naar hem toe en een wraakziedend rumoer om-gistte zijn ontstelde oogen.
Platvoet overzag van zijn stoep met schrik het donker-dreigende geraas der verwilderde Lindestraatvrouwen, en begreep dadelijk dat deze woedende en gierende bent niet met afwerende en sussende woorden kon worden getemd. Zware vuisten en naakte armen staken schemerig belicht de maanheldere lucht in. Wreede, zwak-beglansde gelaten gromden elkaar tegen, opgezwollen en dierlijk-grove koppen beloerden grimmig de gebaren van Teun den herbergier op de stoep. Eén vrouw, de haren losgewarreld, ontblootte de borst onder het witte jak en raasde in losbandige zenuwopwinding, dat de zwabber haar de tepels vanéén moest scheuren, zooals hij de vorige week zijn sloof gedaan had! En heftig sloeg ze zichzelf op den naakten boezem, terwijl de vrouwen om haar heen krijschten en gilden als wilde beesten, van toorn om zülk een daad van Pannetje.
Weer spogen monden vloeken en giftige scheldwoorden uit en enkele der heethoofdige woestelingen begonnen straatvuil en steenen tegen hor en ruiten van de kroeg aan te slingeren.
— Dat wordt meenes,... bromde Teun Platvoet op zijn stoep ... Bonk!... daar ging een steen ... Bonk!... bonk!... wéér een... nóg een!... Krak!... Jezus!... 'n blompot!
Allemachies... hij moest kiezen of deelen. Of Pannetje er uit,... óf de wijven op een of andere wijze verjaagd voor zijn herberg en er dwar» tegenin gehakt. Een diep en onheilspellend lawaai en dreiggeroep vanuit de donkere straatverte aanzwellend, bracht bezinning bij Platvoet.
Bonk!... daar knapte de bovenruit door een steenworp.
— Gods-christus!... de kop berge!
Kletterend stortten de glasscherven neer en een woest