249
daan-furies een refreintje op zuipzak's nek trommelen zooals hij de laatste jaren en maanden niet meer gehoord had. Ze zouden dien rondzwervenden papper de vrijheidsmuts besteken met de karwats en het bier rond hem laten schuimen, dat het opspoot tot de nokken.
Den vorigen dag was de dronkaard woest zijn huis ingestormd en had hij zonder besef en rede de goeie werksloof van een vrouw besprongen. Hij had zijn wijf de haren uit den kop gerukt dat ze rauw gilde van pijn, en toen nog in krankzinnig wreedheidsbegeeren haar het gezicht gewond en bloedend afgetakeld. Dat werd de toeschietende en helpende buurvrouwen te veel en daarom besloten zij in elkaar opwindende heftigheid, de geranselde en vernederde Jordaanvrouw te wreken. Want Pannetje Pap zat weer doodgemoedereerd... te pappen in de drollige kroeg van Teun Platvoet, alsof hij niet een lage gewelddadigheid op zijn kerfstok had staan. Over put en korenschuur moest de zwabber heengesleurd. Zoo een roofhaai kende zélf geen meelij; hij zou het óók niet ondervinden! Nu, in den duisteren avond, moest hij de kroeg uitgedreigd en overgeleverd worden door den makken herbergier, aan de verontwaardigde en gekrenkte vrouwen-van-de-buurt.
Al luidruchtiger drong de stoet óp in den violetten schemer, tusschen de koker-enge straat die walmde in haar armoeleven. De vrouwen scholden naar de kroegstoep, vloekten en raasden dat een knuppel hem den rug zou smeren! Hoe kon Teun zoo een dallesdekker, zoo een schoft nog te hachelen geven,... zoo een gannef,... zoo een sjikkere schurk.
— Lekke schuit!... spoog Mie Haarlemmer Mug naar de groene hor van het kroegraam.
Want daarachter school zijn bange en luisterende kop weg, benauwd voor het zwellend gerucht en de wraak-stemmen die ópeischten.
Papper: drinker. — Pappen: zuipen. — Hachelen: tappen.