248
menschenbent naar de herbergstoep. Uit de armelijke bovenvensters of achter kapotte ruiten verschenen in blank-blauwen maanschemer, gezichten en duistere lichamen van kijklustigen. Over de halve onderdeurtjes bogen vrouwkoppen naar elkaar toe, in spot, woede of grimmigheid. Gemeene kerels lalden er liedjes doorheen en wierpen rondrennende kinderen, die voor hun voeten ravotten, tegen de straatkeien omver. De droeve vervuiling der armoebuurt kwijnde onder den spokerigen schemerschijn en de kijvende jammerstemmen sloegen néér uit de ellende-woningen van hoog en daverden óp uit de diepe, holzwarte kelder- en ganggaten van Lindestraat en dwarsspleten.
Mie Haarlemmer Mug van het zuur- en schaftkelder-tje, stapte voor den stoet uit, krijschte woest en beangstigend naar Ka Paraplu, die doldriftig meedreigde en meevloekte, terwijl ze een slaperig kind van vier jaar op haar arm hield.
Nel Scheendert hing over het venster. Barendje zat binnen op de tafel te spelen met zijn fopspeen en Leen-dertje drong eerst zijn orgeltje en toen zijn blond kopje tusschen raampost en moeders lichaam, om goed te kunnen zien wat er op straat gebeurde.
Een lange vrouw schreeuwde uit den schemer naar Nel wat verklarende woorden op, over het geval, dat Pannetje Pap te zouten hing tusschen Paschen en Pinksteren,... maar ze verstond haar niet. Eindelijk vernam ze van Kikkie-Schik-bij, een naar Nel toegebukte buurvrouw van drie-hoog-vóór, en van Schoppen Na, twee-hoog-achter, die nu op gên-hoog-vóór over het raam hing, dat Pannetje Pap afgedroogd zou worden.
Pannetje Pap had zijn vrouw schandelijk mishandeld en gekoejeneerd. En ieder buurmensch wist dat er niemand goedaardiger onder haar mutsje uitkeek dan Pannetje Pap's vrouw. Nu zouden de verontwaardigde Jor-
Afgedroogd worden: een pak slaag krijgen.