247
Karthuizerplein kon hooren, morgen was ze haar stem kwijt en fluisterde ze heesch als een verkouden kraai. Dan liep ze óp met vuilen baaien rok en een zakdoek over haar knar,... dan weer als een dame met zes roode veeren op een ״reuzehoei" die niet eens door de tramdeurtjes kon. Vandaag met vijf lappen op haar mouw en gaten in de morsige kousen, morgen met geel-gestrikte schoentjes en bijna een harembroek.
Nel lachte naar Dien toe, wat ze van haar streken dacht en alweer bleef haar schoonzus onverstoorbaar. Toen echter Corry tegen half twaalf inkwam sprong Dien onrustig van den stoel op. Ze was vol onberedeneerde en dolle driftigheid tegen de mooie, jonge nicht. Al wat ze aan wreveligheid en ergernis had ingehouden kon zich plotseling tegenover Córry fel ontladen. Dié meid had haar wel eens onder verschrikkelijk gehuil zien wegkrimpen. Naast Corry kreeg ze angst en driftgevoel tegelijk, wist zij zich niet meer te beheerschen. En daarom stapte Dien nu haastig wég, terwijl Corry, van haar kant, altijd onbedaarlijk-spottend en minachtend begon te lachen als ze haar magere, leelijke en boezemlooze tante thuis ontmoette. Nel noemde dat pikanterie en een veeg over Corry's wang waard.
II.
Op een blauw-lichten, maan-helderen schemeravond brak er schuin tegenover Nel's deur, vlak voor de morsige en afgebrokkelde kroegstoep van Teun Platvoet, krakeel los. Uit de Lindedwarsstraat was een *stoet dreigend-gebarende vrouwen saamgedrongen in roerig geschreeuw en schel gevloek. Met alle winden en weer-winden raasden ze voort, ziedend van toorn en opgewondenheid.
Een violette walm omdampte de nauwe, donkere huizen, en van de vervuilde en gehavende trapjes holde een wilde