246
Verstelde ze haar mans broek, dan smeekte ze dat ze ook eens die van den Prins mocht opknappen.
Ze sprak zelfs een enkelen keer en schijn-schertsend, haar man aan als ... ״Heer gemaal",... zooals ze dat wel ״ereisies" gelezen had in ״romanse boeken". En wat ze dan zei, meende ze zóó hevig en den toestand onderging ze zoo écht, dat ze plotseling bleek op een stoel neerzonk van aandoening en Piet geschrikt met een glaasje water kwam aanrennen. Alles leefde om haar mee in die zelfbedwelming; want zoo ook hielp ze Nel, in de vaste overtuiging dat ze Hem óók eens mocht bijstaan. Om het onuitvoerbare en onmogelijke bekommerde Dien zich nooit. Als ze zich maar mocht indenken dit ze het voor Hem dééd. Ze leefde en loog het zich zoo benard, ontroerd en met oppersten wil in, dat het tot een lévende waarheid in haar werd en dat het tóch gebeurde, al gebeurde het niet. Al sloopte ze haar zenuwen onder zulk een valsche en verdoovende geluks-bevrediging, ze kón niet meer zonder het genotzieke koesteren van haar hersenschimmen. En wanneer het orgel van Lange Jan er een zonnig middagje al heel vroeg bij was, genoot ze onder het aanhooren van de straatmuziek als nooit te voren.
Van avond had Dien geen enkel genoegen van een ander willen bederven. Ze sprak niemand tegen, deed heel lief met de kinderen voor wie ze kleur-suikertjes had meegebracht en zelfs Frans overrompelde ze in zachtheid. Behandelde ze hem anders als een knecht, een suffen leerjongen, opzij gestooten, naar voren en naar achter geduwd, dien ze, al naar ze het in het grillige hoofd kreeg uitjouwde of belachelijk maakte, van avond stond ze hem bij met vriendelijke woorden.
Het duizelde Nel... Zóó een gek, ongedurig en wispelturig wijf had ze nooit in haar leven ontmoet. Het leek compleet een comedie! Zoo zat ze te grienen en te schelden en dra weer te flikflooien als een dief van haar eigen fatsoen. Vandaag zette ze een keel dat je haar aan het