245
een wonder, en dat moest nu voortaan haar hoogere le-venstroost zijn. Doodgemoedereerd kon ze weer haar babbeltje houden met Jan Steen uit de Oranjestraat, met Heintje Lawaai uit de Goudsbloemstraat, met Jantje Alle-menti van de Passeerdergracht, als zij maar 's Maandags, op wel twintig verschillende ansicht-kraampjes Hem mocht koopen, met uitgezuinigd weekgeld. En zoo bleef ze in de zachte bewogenheid van haar gedachten het huishoudelijk werk afdoen en toch... bij Hem.
Eerst had ze in haar dronken vervoering en zinnelijke begeerte zoo hevig en wanhopig den lijflijken man willen bezitten, dat een erotische waanzin in haar bloed leek geslagen. Toen had ze het raam willen uitspringen, zich vergiftigen, groote geldstukken inslikken, om maar van haar kwellende hartstochten af te raken.
Nu was uit deze verbijsterende gevoels-woeling de offerende, geheime liefde alleen overgebleven, die zich in alles met Hem kuisch samen-dacht. De zoete illusiën van haar leugen-fantasie vlochten de bloemslingers en tooiden haar droom-werkelijkheid. De meest nüchtere dingen volbracht ze in een soort zenuwachtige geluks-emotie, zoolang ze haar rustige stemmings-evenwicht behield. Begon een vreemde en jagende beklemming haar naar de keel te klauteren, dan trachtte ze weer dieper weg te duiken in haar liefde en de gedruktheid van zich af te gooien. Plots kreeg ze dan zekere machteloosheid in het kijken. Den ganschen dag trilden en dansten haar oogwimpers en voelde ze zich als het ware kippig worden. Ze zag alles in flikkeringen en roode kransen. En dan inéén weer dobberde vlak voor haar pijnlijk-stekende appels van alles een dubbelbeeld. Dat deed haar ontstellen en weer onrustig voortwerken. En geen drie minuten bezig of ze zag Hem weer. Verstelde ze de kleertjes van haar kinderen, dan bad ze in stilte, dat ook ééns voor Hem te mogen doen. En als Hij dan geld wilde geven, dan zou ze fier opspringen van haar... ״zetel"... en glimlachend wéigeren! „Uit liefde, vorst",... zou ze bleek stamelen.