244
chelijk. Ze hakte en vitte voort, op hem en de kinders. Die liepen altijd met ineengeknoopte, losse schoenveters, vuil, slordig, alléén maar om het genot te smaken hun moeder te hooren bekladden. Ze keef en schold uren lang, tot onverwacht een vriend van haar man opliep en de heele hagelbui oversloeg naar zonneschijn. Dié hield van Hém,... den Prins; dat wist ze en ze stoeide, sloeg leut, werd schuin, aanhalerig en dol vroolijk, zoodat haar vent stond te gapen van onthutsing. Na zoo een dag bleef ze een week wel in bijna bedroefd-nederige en gewillige stemming. Ze vitte, keef, hakte en schold niet. Ze sprak heel zacht en heel lieverig. De kinderen koesterde ze met teedere stem, innig gebaar en streelend woord. Haar man kreeg alles op tijd; zijn eten, drinken en kleine verge-noeginkjes. Ze kookte lievelingsmaaltjes en zij zélve at bijna niet, leefde stil en zacht en in een soort tranceachtige vereenzaming. En toch was ze nooit gelukkiger dan in dié stemming. Haar woede was uitgestuipt; ze had niets dan een beschroomd verlangen naar steun, naar... het album. DaarwasHij... en had ze Hem het ongestoordst van haar! Nu dacht ze zich tezaam met Hem, in een kuische, eerbiedige vreugde. Iedere zachte stem die tot haar sprak deed haar weenen van stille ontroering. En alles betrok ze op het hartstochtelijk geheim van haar verborgen liefde voor Hem. Dan werd het weer maanden achtereen, de droomerige, stille, afgodische aanbidding in de afzondering, voor dezen vorstenzoon; leefde ze met het bestaren van zijn oogen, zijn handen, zijn voeten, in zoo een huiverende verheerlijking van Zijne Doorluchtige Hoogheid, dat de dagen om haar vergingen zonder dat ze het merkte. Uren na uren schreide ze, maar nu van een ongeoorloofd geheim en angstwekkend geluk, als de stille minnares van Hem,... terwijl Hij haar nog nooit had gezien,... en zij van Hém... ieder gebaar kende! Ze onderdrukte alle geprikkeldheid, smartelijke wanhoop en onrust, om met blanke gedachten alleen naast Hem te leven. Haar was de genade der Liefde geopenbaard als