39
— En ... ik ... ik kepeer hullie... en kestreer katers.
— Soo'n gauwdief!... lachte Nel inéén vroolijk en opgewonden.
Toen lachte ook bedeesdelijk Frans mee. Nou durfde hij zelfs wat meer van zijn droom, zijn lievelingsplan loslaten. En aarzelend, telkens schrikachtig onderbroken bij de puntige en stekelige klanken van Nel's spotstem, vertelde hij dat hij het een zaligheid zou vinden, zang- en ciervogels te verkoopen en te fokken. Hij kende een Artisknecht die hem graag helpen wou. En hij verheerlijkte op zijn schuchtere wijze de paarlgrijze kuif van de kroonduiven; hun groene nekjes, blauwe veeren. En al de lammenadigheid zakte van zijn tong toen hij begon te verhalen van het knusse leventje dier vogeltjes.
Gut, Nel moest zien hoe in Artis die Oranjewevertjes op één stokje bij elkaar kropen, haast in eikaars veertjes doken. En ze had nooit zulke prachtige purperkoeten gezien als daar rondfladderden in de kooi. Dat was nou net niks als één weerlicht van kleurtjes,... zoo'n oranjebuik-papegaai en ... en ... tamboerijn-duif.
Nel staarde ontsteld en Frans brak stotterend af en keek als een kind, op heeterdaad op snoepen betrapt. En toch leek Nel niet kwaad, alleen beangst dat haar kerel een beroerte nabij was. Zoó vurig had ze hem nou haar leven lang niet hooren spreken. En ze verzoende zich ״warendig" met het plan. Frans lachte vrij alsof hij op zijn plat stond en gul beloofde hij dat hij óók kippen en konijnen naast zijn duiven en vogels zou nemen.
— 'n Goeie firma ferkoopt se naam,... lachte Nel... es kijke wè je uitwerkt!
Onverwacht kwam Neel Burk oploopen, in een korte, witte jak, de blonde haren los over de kleine ooren geward. In het lamplicht fonkelde de kralensnoer op haar blanken hals robijnrood. Ze hield nog altijd even royaal van Nel en ze hielp in den nood zooveel ze kon. Nel was geen grage maag, geen hebbert, dat wist ze; maar een leege buik rammelde niet meer en daarom voelde zij zich