238
— Fan ... 'n asyltje opset?
■— Asyltje?... óp je siéltje!... slijmert!... schimpte ze en Frans beefde van narigheid.
Wat hij bezon was er heusch zoo kwaad niet. Van beesten had hij het meeste verstand. En Frans was dol op dieren en vooral, om verwaarloosden óp te kalefateren.
— Netuurlijk!... sloeg Nel af,... as t'r één manke vlieg in 't land is... gaat tie op joü neus sitte!
Dien lachte en Frans schepte weer moed.
— Mo je mijn es late gaan,... klonk het doodschuchter van Frans' lippen.
— Gaan?... la je seehonde klautere!
— Ikke ... ikke,... stotterde Frans door,... wil soo veul,... sie je,... as ... as 'n toevluch veur noodlijdende diere!
— Wie seit je dat foor,... sure aal? ... hoonde Nel.
— 'n Toevluch sie je,... klonk het weer bedremmeld en in de war gebracht door Nel's snijdende spotstem.
— Neem dan eerst je eige spok kindere in!... hè je 'n nest fan ses-en-sestig toone!
Dien, meesmonselend onder zenuwlachjes en zenuwgapen, vond het nog lang zoo kwaad niet en ze geloofde royaal dat het onder Frans' leiding een bestig nerinkje kon worden. En Frans schepte argeloos moed in het vertrouwende woord van Dien. In de Bietengang was wel een donkere diepte, een soort van hol, waar hij beginnen kon. Heel tam ontwikkelde hij, geschrikt, stotterend en woorden half aanhappend, al naar Nel's kijken en gebaren, zijn plannetje en weer ״meende" hij.
— Sie je ... soo veul as ... as 'n ferpleging fan huis-beeste.
— Sekerst de luise fan de Lindestraat!... sneed Nel er sarcastisch tusschen.
— En ... enne,... ging Frans ongestoord voort,... ikke ... wasch hullie,... en scheer d'r honde ...
— As jij nie 'n dag fóór je dood sterft hiet ik geen Nel!... bleef zijn vrouw bits doorhoonen.