35־
stikheeten Junimiddag kwam Dien oploopen in de Lindestraat. Nel hield van de gierige en grillige zuster van Frans niet. Eigenlijk verafschuwde ze het uitgemagerde en luidruchtige wezen, en ze kon nooit goed begrijpen hoe zoo een chicaneuze isegrim een bloedeigen zuster kon wezen van de guitige en hartelijke Neel Burk. Maar den laatsten tijd kwam Dien haar overdruk bezoeken, zonder dat Nel de wezenlijke oorzaak kon vermoeden. Nel schaamde zich niet voor haar fatsoenlijke armoede, al kwelde haar het gebedel om een paar duiten soms meer dan het gebrek zélf. Toch, Dien hielp met scheutige en afgepaste beetjes en zat vol onbewust-kluchtige bedenksels, op welke wijze Frans in een ״handeltje" te duwen zou zijn. Het loon voor haar luidruchtige hulpvaardigheid eischte Dien al dadelijk op, door Nel te dwingen uren lang naar haar vermoeid gedaas en verward-hys-terisch gesnater te luisteren.
Zoo een huttemetutje van een wijf, lachte Nel en deed alsof ze geheel oor was, terwijl meestal niets anders dan de rammelende letterklanken in haar eigen peinzend hoofd bleven nahangen.
Kon Frans geen porder worden?... bezon Dien na een zwaarwichtig overleg. Nel lachte en Dien vloekte van nijdigheid. Plots begreep ze en gierde de kamer vol schel geschater.
— Netuurlijk ... neé! ... Soo'n slaapmus ... porder! .. .ho-ho-ho!... porder!
En ze sprong weer halsbrekend van den hak op den tak. De kerel kon toch niet in de warmte smoren als een wurm in den grond? Om tien uur 's morgens beloofde ze Nel hartstochtelijk, dat ze Frans heel gauw een tabak- en sigarenwinkeltje zou bezorgen. Maar om elf uur vond ze voor den slaapkop een zaakje in motzaagsel en krullen veel geschikter. Een paar uren later begreep ze maar niet van haar eigen stommen knar dat ze „zoo'n vent" nou aan een motzaagselhandeltje wou helpen, die niks anders kon dan verven en om zijn vuile duivenzooi heendraaien.