ZESDE HOOFDSTUK.
I.
Corry's moeder werd afgevreten van heimelijk chagrijn. Ze leed heel stil en zoo beschaamd-verborgen dat zelfs Frans Leerlap er niet veel van merkte. Een zeer-oog verdroeg het licht niet en daarom kropte ze zwijgend al haar verdriet in zichzelve op. Zij, die anders alles dadelijk uitflapte en wat haar kwaadaardig kriebelde van de lever spoog, wrokte nu van binnen, morde en gromde diep in zichzelve en waakte er angstvallig voor dat men haar in het smartelijk chagrijn niet zou betrappen. Want ze wilde de eer van haar dochter niet besmet en belasterd in de straat; ze wilde zich fier en onafhankelijk toonen van buurt-meelij en valsche wanhoopsgezichten. Moest ze neergeslagen worden om Corry, dan in hemelsnaam verborgen en zóó dat alleen God zich over haar schamele ziel ontfermde. Want, met pijn moest zij het erkennen, ze voelde zich machteloos tegen Corry's wil, haar tartende levenskracht, haar wreede hebzucht en de alles lachend van zich aftrappende koudheid van dit mooie schepsel. Nel huilde de oogen droog, dag en nacht om het gevoel-looze van haar kind, dat het stinkende verderf met opengesperde oogen tegemoet liep en dat ze toch blind lief had. Geen drie ellebogen stond ze meer van de slechte wereld af, dat doorzag Nel, al besmoesde Corry haar iederen morgen met andere leugentjes.
Frans werkte al in zes weken niet en de armoede donkerde over het heele gezin. De kinderen grienden om brood, schoeisel en kleeren, en nooit leed Nel erger dan wanneer ze niet géven kon als er gevraagd werd. Op een