22a
tjes te beklauteren, wat ze, na hevige spartelingen gelukte met behulp der minst-dronken heeren. Als een waggelende en hellende pyramide klauterden zij op elkaar, klonken met de aangereikte glazen de gezondheid van den royalen champagne-man. Een opgewonden gejuich om-golfde den baron, die kalm een nieuwe cigaret opstak en weer zich overeind heesch.
— We drinken... de laatste druppel... van de Nes!
— Hoch!... hoch!... Hij leve!... leve in de gloria!
Het gezang bulderde los en Corry voelde zich onder
die opwinding verschroeien. Zulke vreemde gewaarwordingen had ze nooit ondervonden. De neger had juist op bevel van zijn heer al de lucifers-bakjes leeggebrand met een aanstekertje. Een zwavelachtige rook mengde zich door den wijngeur en de bierlucht. Corry snoof het zoete van gebrande gummislang en ze voelde zich stikkend benauwd. Ze hield ontzaggelijk var! zulk geraas en ver-doovend plezier, als op een gemaskerd bal, waar plots het lamplicht werd uitgedraaid. Hier geen gekruip voor een hoogen meneer, geen huichelend geteem en gewauwel. Ze zag het,... als ze wou kon zij hem óók knippen, dien dronken harlekijn. O, dat zanggezoem, die wilde oogen, dat gieren en loeien van de lach- en pretsteimmen, het bracht een dol-tintelend genot door heel haar jonge wezen en hoe zwaaiender de mallemolens dooréén-wiekten langs en om haar, hoe duizeliger en plezieriger ze dat vond. Op den Zeedijk, alleen wat kerels met een paar straaltjes bloed door het lijf, wat messenstekers en vuile vloekwijven. Maar hier stookten ze een ander vuur! Ze voelde den wellustbrand van de begeerende en genietende heeren op haar overslaan. En toch, tóch... o, diep ellendig wist ze zich in deze doljolende bende, moeder-mensch-alléén. Ze zag in haar duizelroes het afgetobde en ingezonken gezicht van haar moeder pél voor zich, om te grijpen. Ze zag Frans Leerlap, de kinderen, maar het vreeselijkst van allen,... Mooie Karei! Pif... paf!... als die wist waar ze noti zat! Als die ״Het Hert" intippelde