216
zijn rug, onder zijn armen, op zijn hoofd, weer onder zijn neusgaten en in den mond, en ongestoord babbelden de toontjes en bleef hem de fluitklank omzweven. Daarbij draaide hij rond als een derwisch-potsenmaker, om niemand te laten zien hoe hij zijn fluitkunstje klaarspeelde. Een joelgejuich brak los en in vrijmoedige zwierigheid boog hij diep voor het pralende gezelschap.
Van den baron kreeg hij weer uit de klontjestang een groote fooi en onbeschroomd stapte de hooge kerel het lokaal uit, onbeschroomder dan hij ingestapt was. De baron vond hem even aardig als het blanke zusje van Hokio, die hij straks zou bezoeken.
Corry stond weer naast Mooie Jo, de haren hoog opgekamd, maar nu een fijn snoertje om het heele hoofd. Ze beefde van aandoening. De kellners liepen gejaagd, de bestellingen klonken luid. De drank brandde en prikkelde haar op de tong. Harry keek haar dolverliefd aan. Harry, vertelde haar Clara, was de beste vriend van Blonde Frits, den student, nee,... een guit en mooi!... een échte mooie kerel! Madame Maas en Joden Jet omsloopen haar al vaker. Vooral Madame dwong Corry vrij en ongegeneerd te drinken; de baron bekostigde tóch alles. Ze knikte, maar in stilte nam ze zich voor geen slok meer te nemen.
Weer raakten de champagneflesschen leeg en weer drong de baron er op aan dat uit alle hoeken van de Nes bijéén gehaald moest worden. Hij stond op en waggelde voor de openstaande piano; brabbelde Duitsche zinnen door Fransche heen en schold in het Engelsch naar zijn nikker, die al zijn zigzagstappen behendig en op den hiel volgde. De piano stikte van den dorst, beweerde de baron. Haar keel was drooggespeeld. En plots goot hij zijn glas in de grommende diepte van de rammelkast leeg. Hij waggelde en lachte idioterig:
— Tiens,... débine ... saoule toi... aussi!... Zuip!... jij mormel,... óók dronken!... Niet ik... alléén... jij jankend beest!