212
vervuild beest. De straatzanger beefde en langs zijn smerig, gescheurd hemd krasten zijn roetnagels van benauwdheid. De baron liet zijn rottinkje nijdig door de lucht suizen.
— Zingen!... beval de baron en snel reikte hij tus-schen de zilveren klontjes-tang van het buffet, den straatzwerver een gulden over.
Met een gretig-wilden ruk ontroofde de man hem tang en geldstuk en wou snel de deur uitspringen. Maar de neger troonde donker achter hem, greep den zwerver in den nek en sleurde hem voor zijn heer. De straatzanger trilde op de knieën die samen kromden en dolle ontsteltenis staarde zijn oogen uit. Van zijn goorgroen gehavend jasje over het onderhemd, walmde de armoe-stank.
— Een pakhuisdief!... schold de blonde reus.
— 'n Beest van met-s'n-vieren-in-één-bedstee,... schimpte wrang Madame Maas.
— Vuns... vuns,... seg!... lachte de baron heel vies-jes ... Wat doé jij?
De straatschooier beefde en de verwilderde groene oogen knipperden tegen het licht.
— Ikke ... ikke ... bin ... van de ... Inwendige ... Sending weggeloope...
— Wat ïs dat?
— Van ... van,... trilde zijn stem,... de Ure ... des ... Oordeels ...
Zijn nagels krasten weer over het walmende hemd en de groene oogen keken wanhopig rond.
— Wat deed je?
— Lood... loodgietersknecht... stotterde hij er weer uit,... maar ik bin ... van binne verroest... siet u!
Een hoongelach omschaterde den zwerver.
— Ikke... heb... één lamme arm!
Weer joolden de plezierbenden. Alleen Harry walgde van zoo menschelijk ellende-brok en wou dat onder-vraag-gesprek beëindigd zien. De zwerver stonk van vuil en ouderdom.