84
ze genóót in dezen broeienden en helschen plezier-krater van de donkere Nes.
Willy, huiverig om de fijnblanke en teedere schouders, was van het koele plaatsje, donkerend onder den blooten hemel, lusteloos de zaal ingeslenterd en voor Corry blijven staan. Aan een hoek-tafeltje zag ze Harry, den stillen student zitten, van alle rumoer verloren.
Rustig stapte ze op hem af en rustig plaatste ze zich naast hem. Tusschen deze twee was nu heelemaal geen gebedel, geen valsche vleierij en geen opwinding. Dat merkte Corry dadelijk. Ze zag Willy en Harry zacht praten. Wat een sympathiek snuit had die kerel; niet goed-aardig-ruw als de blonde reus, maar alles scherp-omlijnd en vast van trekken. Zijn oogen, staalgrijs, hadden ieder keer haar hoekje ingekeken. Geen der lawaai-schoppers nam notitie van haar, in de eenvoudige blouse. Maar hij bleef telkens indringend en onderzoekend loeren, met zijn diepliggende oogen. Ze zou er op durven zweren dat hij Willy vroeg wie zij was en wat zij in dit stuivende bacchanaal kwam doen.
Zoo dikwijls de schreeuwende portier iemand inliet zag Corry het nieuwsgierig halsgerek der bühnevrouwen, om te zien of hün ״vriend" binnenkwam of die van een ander; of het... „wat was". Duitsche Hedwig rees telkens traag overeind met de handen de knieën opgedrukt en zonk dan weer wreveliger teleurgesteld op haar stoel, als ze zag dat het haar „herrliche Otto" niet bleek te zijn.
Na elf uur werd het stampvol en stikkend benauwd onder al het fonkelend licht. De kristallen luchter boven het buffet twinkelde en spatte het groen-roode vuur al lager neer op de bezoekers-gezichten, terwijl de bühne geheel leeg stond. Het voetlicht dampte en straalde doelloos tegen de stoelpooten en vergulde lambriseering-randen. De pianist speelde opgewekter dan in den vooravond en huppelde op zijn krukje als een springende nikker. De zangeressen werkten voor hun slokjes, sigaren en fooienEn hoewel ?e het land aan den bolligen en glimmenden