167
nen geven, nu Manus Peet er niet was. Nou leek het ijs gebroken; voor het éérst was die blonde furie toch aan-getippeld. Maar Jet zag het wel... ze stond op heete kolen en overal wantrouwelijk rond te gluren. Ze verdacht haar, dat voelde Jet. Toch zou ze buit worden, die trosboef;... toch zou ze dat eerbare schepsel plunderen, als ze haar éérst maar aan een hofhouding geholpen had. Den rijksten kerel wilde ze voor haar opscharrelen, al moest ze er om dobbelen met Rosine en al de handlangers; al moest ze valschen eed op valschen eed doen en niéts dan drinken en vloeken.
Even wou ze over haar fijne ״spullen" beginnen, maar Corry sloeg met woestheid en een wilden lach haar nego-ciante kletspraatjes af. Ze spoog op Jet's schmeigeltaal. Ze kon haar in het grauwe grijnsgezicht ranselen. Corry wilde dadelijk naar de „Alhambra"; het was al half acht, joeg ze Joden Jet óp. Het speet de koppelaarster dat de meid zoo snauwde, maar ze zou toch oogenblikkelijk meegaan.
De „Alhambra"-zaal beneden duisterde als een zwarte, diepe holte toen Jet met Corry instapte. Het rook er naar bier en sterken drank, wee zoet-zuur. Jet schoof Corry vóór naar de kleedkamers, jachtig en nerveus onder druk geratel van zoetige woordjes. Corry voelde alleen de zaal-donkerte als een gapende dreiging voor d'oogen. Bij de trap naar de plaats hoorde ze een gedempt lachen en zingen achter donkere deuren, in den zoom van doór-schij-nend licht gevangen. Jet stommelde de smalle treedjes op, Corry meesleurende, die verbaasd rondkeek toen ze binnenkwam. In een vuil, groezelig-smal hok met verwaarloosde kalkmuren, stonden ontkleede meisjes voor een soort zwart-houten aanrecht, waarboven een lange spiegel op den kant. Twee half-verteerde gloeikousjes aan weerszijden van de „toonbank" flakkerden een vaalgeel licht over de gezichten en halfnaakte lichamen der „zangeressen". Achter den spiegel gaapte de donkerte van het kleedhok.