i*5
— Je krijgt... 'n trouwhartige fraag fan een heers-pirsoon... 'n Donker wijf leit dwars op 't huis... op-passel... Maar fortuin hei je fan ... de breeje weg... De ruite heer is nie fan je af te slaan!
Corry's ingetrokkenheid ontspande.
— Gesond blijf je.
Weer zuchtte Corry van verlichting.
— Maar je wordt benijd ... soo ... soo ... wat sie ik? ... je krijgt beere ... eén... twee ... drie .. 'n heele kooi vol!
— Ikke? ... gierde Corry, blij uit de beklemming.
— Hee?!... kijk... schoppe ses ... de hooge tore ... en ... de wolleke door ... Net an... naderend onheil, niesse,... groote gevare ... Hee, klafertjes dwars tege de straal... U bedriegt, maar u vonnis krijgt u thuis!
— Wa nou weer? ... vroeg Corry bang.
— Die ruite-tien,... dempte Manus, nu zélf verloren in de suggestie van zijn voorspellende stem,... mit 't boek, vlak bij de rooie sleutel... dat is jeile!
— Soo'n brajer!
— Bloed meid, bloed!
— Vuile kriek!... dat is 'n jen!
Corry stond doodsbleek en sidderend voor Manus. Hij had opnieuw den angst in het hart van dat fiere schepsel gestooten,... noü was het genoeg.
— Uit hè? ... vroeg hij naar de meid opkijkend.
Corry aarzelde. Nog twee kaarten moest Manus kantelen. Dat zag ze. Die twee nog en dan was ze er doorheen.
— Nou dan?
Manus begreep en keerde.
— Hij is dól op je!
Corry's angst leek in één seconde weggezonken. Haar oogen keken louter goud. Dat was Mooie Karei!... kón niet missen. De Bochel had toch een strop; een slaapbol te
Jeile; hier: narigheid. —Jen: leugen (grap.)