164
Toch moest ze oppassen, waarschuwde hij weer met komisch-dredgende stem. Een mensch-alleenig was maar een sjofel snoepkraampje dat omver lei door zwaar gerinkink van een hoog klokkenkoor. Er stond geschreven in de kaarten dat Corry door aasvliegen zou gestoken worden. Het fijne velletje moest ze haar eigen maar eens zacht met zeepsop insmeren. Dat lekken de vliegen niet.
— Er staat geschrefe ...
En weer plechtig kondde Manus, dat Corry het meest voorzichtig uit haar lampjes moest kijken bij avondlucht.
— As... je ... an 't firmement nies siet as rooje en gouwe wolleke... dan dreigt d'r gevaar!
Hij wees op Hartenvrouw. Dus ook getrouwde wijven draaiden mee in het spel. En dwars tegen dat schepsel kan-kaneerde Schoppenvrouw. Dus liep een gescheiden teefje ook mee om het huis. Met al deze koeskepees kreeg Corry te doen.
— Uitkijke veur de karafaan,... uitkijke meid!
Corry keek zorgelijk-beangst.
— Je knijst... soo triestig... as... gras op 'n graf! Vergeet je je poen dan? ... sakke ... sakke geld!... Kijk, vier ase ... temeê ... Waterverf!... droom je fan 't huwe-lijksskuitje!
— Je neemp je ronde averechs!... zei Corry driftig.
— Verkeerd? ... nies ... De maan gaant soó.
Toen ging Manus plechtig aan het ״uitkruisen op 't huis" en tellen van zichzelf af.
— Tellekes die boer fan onrust hè!... 'n merakel... wat?... je krijg spoedig tijding op honk! Fan de waterkant weg... Pas op foor de wanorde... de domheid, meissie,... de smerigheid!
En Manus keek heilig alsof hij wakker wierd bij orgelspel en psalmenzang.
Corry zag weer beduusd, begreep van Manus' kaart-leggerij, die er allerlei-van-zijn-eigen tusschen flanste, niets.
Koeskepees: in dien zin: gelegenheidjes.