i6o
hij zijn woord niet door de spreektrompet heenwringen of zij blies terug met sterke longen. Die kaskedoole prikkelde hein meer dan hij bekennen wou.
—׳ Nou,... en ... ik geloof er sélf nie an! 't Is allemaal malle kemédie,... en harlekijnl
— Tóch doen!
— En ik geloof d'r geen snars van!
— Toe, geef 'm fan de lantaarn,... vleide Corry weer. Dan, meende Manus, moest hij eerst de plechtigheid
uitzoeken.
— Sot-sot-sot,... nou heb ik toch je kat gesien,... zong hij, terwijl zijn korte wiebelende beenen tegen de stoelsporten trampelden.
— WS seit-ie?
En zacht zong Manus door:
Er is onraad in de wacht, Aj je hakt dan valle spaanders. Berooide sin, berooide kin ...
Toen grabbelde hij met berekende omzichtigheid in een doos, zoo beducht, als tastte hij een nestje kievitseieren. Een zwart-bevingerd kaartspel diepte hij plechtig op en groepeerde Manus vlak onder Corry's gezicht, die met de ellebogen op tafel hing.
— Mot ikke self nie nege trekke?... en acht an acht?
— La mijn die eer,... ironiseerde Manus.
— Ten eerste,... begon hij, terwijl hij zijn ganzepoot op zij schoof...
— Ja? ... gretig vroeg Corry.
— Sie ik dè je de bibberatie heb.
— Nietes... nietes!... weerde Corry woest af en lachte hoonend.
— Nou, Ik maar soo.
Corry gaf hem een lieven kinstreel.
Kaskedoole: onthutsend gebeuren.