159
nu voor het eerst door de meid uit zijn plagend-sar-castische bedaardheid gestooten.
Corry besefte het al dieper,... ze kon met Manus niet opschieten. De Bochel was al weer over zijn verstoordheid heen. Met glunderen lach begon hij heel deftig te vertellen dat hij in het geniep, in het geheim wou hij zeggen, had gestudeerd... béter als de beterst-wereld-beroemde somnambule en planeetlezeres en beterst dan de handlijnkundige, alles wat betrof het treurende liefdeleed der dames; of al de gerechtelijke dingen van huwelijk en verlovingen, en dat hij niets liet ontsnappen aan zijn helderziend oog van al derzelver toekomst en voorspellingen, in kaart en hand,... gegarandeerd tegen bedrog als anderzins...
Corry lachte om de snaaksche stem van Manus en inéén kreeg ze feilen schik in Bad-Aap, wou ze, wofi ze dat hij vriendelijk en lief tegen haar was.
— Hè Bocheltje,... leg me de kaart, toe? ... vleide ze dringend en de oogen gloeiden goud af.
— Jij?... Jij... je sit in de knoei!
— Ikke?
— Je beeft foor je lot!
— Ikke? ... ikke? ... An me linkersool!
— Jok!
— Nou, ik tart je!
Ze drong óp, verschrikkelijk vond Manus en zoo fier als een princes.
— Ik kan 't nie,... verontschuldigde Manus zich bedeesd, een beetje ontdaan van Corry's felheid.
— Loentjes!... vuile Bochel!... schold Corry hevig met smaadgezicht,... je durf nie!
Die uittartende stem bracht Manus' bedaardheid weer vóór. Muilbanden zou hij dat stouthartige Jordaan-stertje,... even zou hij haar een wijsje zetten op de tong en haar klepper met een grof mikje stoppen. Zoo krom kon
Loentjes: streken, draaierijtjes.