14»
was, buiten Mooie Karei, nou net de éénige kerel in haar leven, die hdér in verlegenheid bracht. Aanhalig zwenkte ze met een lach naar een schunnig woord. Maar Manus had haar truc dadelijk in de ramen en ijzig-kalm weerde hij af:
— Mijn prikkele? ... Waterverf meid;... je ben te grof van slag om mijn te doorzien.
Corry schold van machtelooze drift.
— Hu honny bles!... honny bles!... sarde Manus als joeg hij een paard op.
— Frissche morge!... Nou ruik ik half lont,... je bin 'n geleerde!... schaterde Corry plots, terwijl ze met haar blank mooi gezicht vlak voor d'adem van Manus inboog.
— Geleerde... binne de verkeerde,... en hiér bi je terecht!
— Ik wou jou wel plante!... barstte giftig Corry uit, nu de Bochel haar aan allen kant ontglipte.
— Mijn plante? ... lachte hij doodbedaard en plots met diep-ernstige stem zei Manus strak:
— Jij?... jij sterft eerder as ik!
Corry schrok hevig. Het klonk huiverend-somber uit den mond van den Bochel... Sterven... zij?... Nou werd het bijzijn van den kriek haar benauwend. Tóch had hij haar overmoed getemperd. Gedwee en zacht vroeg ze:
— Hoe weet je dat?... Leg je de kaart?
— Beter as medame Sesanne.
— 'n Gulde!... schoot Corry gretig uit,... as je 't mijn doet!
— Wè 'n rejaal merakel!... Voor 'n imaffie hei je de toekomst bij Rooie Ant in de Boomstraat, kant en klaar.
— Hap je toe?
— Vreet jij je 'n hand langer van je gulde!
Corry schaamde zich.
— Je magere grijpstuiver lus ik nie,... bromde Manus,
Maffie: kwartje.