15«
Wat een verschil met de bedeesde, weeke Aafje. Dat lichaam, rank en groot, was al heelemaal vrouwelijk gerijpt. Zulk een zwaar-saamgeperst blond haar had hij zelden gezien. Het leek een vracht glinsterend hooi in de zon. En de goudachtige oogen, die éven snel tintelend lichtten als uitdoofden! Nee, dié zou Joden Jet niet gauw naar onder knauwen. Die moest zélf haar peultjes doppen.
— Waar hei je die doek onder je kin gelate?
Manus tastte naar de wond... Corry zei het zoo smiech-terig sarcastisch. Zij dacht natuurlijk dat hij ziek en puisterig was. Dat sterke blanke beest zou hij wreed kunnen terug-sarren.
— Ik hoü nie van zeere doekies... kattejong!
Corry gierde uit de hoogte.
— Lache van 'n malle,... dat kanne ze in Ommer-schans ook!... beet doodbedaard, maar tartend, Manus er uit.
— Hoor soo'n slabberdewas!... hoonde Corry, terwijl ze zich een nijdigen stoot op haar blonden haartooi gaf.
— Jij,... jij komp slecht af in de wereld;... je bin te los in je lende!
— Ikke?... schrok Corry... Hei je oók een gebroke lat? ... Daar verspelt me vader mee.
— Je beeft meid, van angst,... je sit in je rikketik!... sarde Manus, den sarcastischen mond en het linkeroog diep toeknijpend.
— Ikke?... soo'n vuile bochel!... schold Corry woest.
Ze moest geen krakeel slaan, meende Manus, maar toch
zag hij, was ze als de dood voor voorspellingen. En kwaad werd ze, sarde Manus, als haar iemand raadde, omdat zich haar trots tegen raad verzette. Maar toch leek ze er blij om éls ze geraden werd.
— Kijk hij,... guns!... snoefde Corry, terwijl ze den Bochel wel een klap op zijn wanstaltigen kop had kunnen kletsen.
Lat: been.