i5i
terwijl hij een verband-doek onder zijn spitse kin vasthechtte.
Of ze er dan niet was?... vroeg Corry bedaard.
— Nee, godlof!
Corry was woedend dat de Bochel haar niet eens had aangekeken. Nu besloot ze ook niet naar Mooie Jo te kuieren.
Er was in Manus, na het gebeurde met Aafje veertien dagen her, heel veel omgegaan. Het had ״getaterd" in zijn „binnenknar". Nooit had hij het adderige van Joden Jet zoo fél-bijtend gevoeld als toen, in haar krankzinnige woede-drift om de ontrukte prooi. Hij dacht, te hebben geweten hoe de wereld stond. Nee,... hij wist nóg niet alles! Een mensch doet goed, hij wordt getrapt. Nou had hij de dobbelsteenen, de vrouwen, de dronkenschap en de beestachtigheid bijéén bekeken en toch nooit een wijf zóó vuil, zóó grauw van bestiale giftigheid zien losbarsten als zij, Joden Jet, dien avond. Haar stem was als een ziekte over hem gevallen; ze had hem met gretigheid kunnen folteren. Den schuimbek, de misdadig-dolle oogen, ontstoken van venijn, de woeling en kronkeling van het uitgemergelde lijf, neen, hij zou ze nooit vergeten! Dat was wel een monster van het verborgene nachtleven, dat den dag haatte als een onthullend kwaad. En ook Lou bleek een verachtelijk schepsel. Niet alleen omdat hij hém, Manus, die over alles altijd zweeg en nog eens zwéég, met één boksstoot de kaken tot een bloedpap had gestompt; maar om de onbeperkte hebzuchtigheid die de kléinste teleurstelling niet duldde of de wraakzuchtige drift moest zich eerst hebben uitgeleefd. Hij had Lou zich altijd royaler voorgesteld en té machtig in zijn kracht om hém, een stunteligen bochel, te verminken. Al wéér besefte Manus dat hij verkeerd had gedaan met Aafje bij te springen. Vandaag of morgen zou hij haar tóch opgetooid in een bordeel of op „eigen" kamers ontmoeten, in contact met Joden Jet tegen wier monsterlijkheid hij haar beschermd had. Zoó was het altijd gegaan. Hij moest