VIJFDE HOOFDSTUK.
I.
Op een roodzonnigen Meiavond tegen acht uur, kwam Corry onverhoed bij Jet oploopen. Ze had een luchtig jooltje in haar wezen om haar nieuwe, gele, hoog-gehakte schoenen en de nieuwe roodwollen kimono-blouse met zwarten kraag en zwarte mouw-omslagen. Zij was ook blij dat nu haar blanke hals, blank als een doorschenen schelp, bloot bleef. Den grijzen streepjesrok kon ze onder de nieuwe blouse niet uitstaan. Hè, dolletjes zou haar een fijn ״pluse sjeketje" kleeden,... zoo tot haar knieën, met een bruin-lakenschen rok er onder. Ze had het nog pas van Jo verleden week aangepast. Hoe dié te kijken stond I Net een chique dame, had ze gezeid. En dan dat tuit-stroo-hoedje van haar kop gehannesd en fijn, een vilten hoed, zacht, o zoo zacht, met lichtblauw-fluweel strikkenwerk. Dat kon haar opknappen! En nou ... aboe!... ze had niet anders. Ze zou vanavond met Jo meegaan naar de Al-hambra, achter, bij de chanteuses en daarna in de zaal. De kleine Dien, toen op de bloemenmarkt gesproken, en haar man kwamen ook, had Mooie Jo beloofd. Het zou een jool-avond kunnen worden. Toch voelde Corry zich schuw en stijf tusschen de bühne-vrouwen en daarom ging ze onverwacht Joden Jet afhalen. Bij het mensch was ze nog nooit geweest. Ze walgde van die smoezelige jodin-onder-de-vlooien, van haar kleverige vuilpoeserigheid; ze rilde van haar ranzige grijnsjes en toch... tóch trok het wijf, om haar omgeving, Corry aan.
Ze klopte en Manus riep binnen.
Of ze even de juffrouw mocht spreken.
— Kan nie,... beet Manus kort af zonder op te kijken,