149
brandde; liep in één jacht naar de vliering, met het man-nen-gestap achter haar aan.
Plots stortte een hevig lawaai van het trapje en ontplofte voor de benedenkamer waar Manus zat. Als een getergde waanzinnige, de grauwe haren los langs de ooren, zoo stormde Jet naar binnen en bleef in witte drift voor Manus staan. Ze zag hem vlak bij het raam in rookwolken van zijn pijp ondergegaan. Inéén begreep ze alles van Aafje's verdwijnen. Ze raasde en tierde terwijl het schuimend venijn rond haar wreeden mond vlokte. De vloeken botsten elkaar van de lippen wég en zóó hevig werd haar toorn dat ze niet tot een verstaanbare uitbarsting kón geraken. Heesch gilde haar stem, sloeg naar de laagte en klom weer óp en een huil stikte tusschen haar woede door.
Achter Jet drong Lou de kamer in. Zijn slanke gestalte steeg boven de schriele verschrompeling van de koppelaarster hoog uit. Zijn knap maar ruw en onbeschaafd gezicht keek wrokkig, teleurgesteld.
Toen Manus hém zag binnenstappen werd hij even bleek om den neus en zijn rechter oog sperde zich angstig groot. Toch beheerschte hij zich en rookte zwijgend door, zonder een woord van opheldering te geven.
— Hei je 'n zieltje gered? ... adderkreng!... schold Jet, die eindelijk uit den stotterenden drang der vloekwoorden iets gevonden had dat ze giftig-smadelijk van de lippen kon stooten naar Manus' kop.
Lou, de bokser, hoog en verschrikkelijk gebeten, stapte op den Bochel af, die uit een onbewust verweer was opgestaan. Zijn steenen knuist, als een ploertendooder gehard in de knoken, stootte hij, eer dat Manus er benul van had, tegen diens kaken, zóó hevig dat de Bochel zonder een kik inéén zakte vóór den vensterpost.
— Smerige Bad-Aap!... perste hij er uit.
Toen liep hij naar Jet, gaf haar een trap in de lendenen en verdween na de straatdeur rinkelend te hebben dicht-gepatst.