148
moest ״panje" laten knallen, rond het koketgekapte kopje van het Japanneesche sireenetje. En daar begon het fijn-bekoorlijke, koel-reine meisje met het teedere mondje al de gretig-luisterende heeren in murmelend Fransch de meest schunnige anecdoten te vertellen, die hen opwonden en deden gieren van wulpsche en onbedaarbare hysterie, terwijl het zusje van Hokio zelve bleef tronen in de rustige koelheid van haar lief-fier en rein personaadje. En voor de klanten die geen champagne konden schenken, speelde Hokio op de piano vóór, tusschen het goudwal-mende lamplicht en het rood-bekleede beschot, een aanlokkelijk walsje, waarvan de populaire melodie werd meegezongen. En listig loerden dan zijn vale wolfsoogen, half dichtgeknepen, naar het lichtpoortje, waarachter zijn zus met haar koude wellustigheid de klanten tot waanzin toe te prikkelen zat.
Dat was al jaren zoo, al kenden alleen ingewijden, naar Manus wist, de geheime bekoring van Hokio's Ja-pansch vercierd nachtcafé'tje met zijn roode floersen.
Manus ontwaakte uit zijn mijmering door het jeuken van een vlieg, die haar sprietborsteltjes op zijn knoken naschuierde. En tegelijk hoorde hij den sleeperigen stap van Jet op de trap. Hij kuchte even. Nu zou het gaan spannen. Tusschen het trage gebonk van Jet hoorde hij driftiger en zwaarder voeten-gestommel,... den stap van een man. Aio!... ze had dus iemand bij zich. Wie zou het zijn? ... Lou? ... vroeg hij zich af. Manus bleef met zijn bedaardst flegma zitten rocken. Hij zat nu stil, buiten den flauwen krans van het afgedraaide licht in een duisterend geschemer. Zijn groote kop zonk zwaar op de hooge borst in en heel zijn wezen, met de opgetrokken knieën, geleek in het vale schijnsel van de zacht zwevende lamp, een slapende nar die zich op een stoel kreupel tezaam had gevouwen.
Joden Jet, levend in het gulzige verlangen naar de weer-looze meid, merkte niet dat op haar kamer laag het licht