145
en smalle trap voor, dat ze niet vallen zou. Maar in de Nes hield hij zijn lichtlantaarn in den zak.
Na een uur kwam Manus terug, verwonderd dat Jet er nog niet was. Ze werkte natuurlijk in de omliggende buurten allerlei zaakjes af; bij Neeltje Roost,... bij Makkie,... bij al de helsche zwendelaars en roovers die hij tronie voor tronie kende in hun schurkenstreken. De kwartjesvinderskroeg beneden raasde een helsch lawaai langs de enge Nesmuren. Manus drong zich vlak tegen het raampje op en keek in de houtskoolzwartige diepte van de steeg, die bij plekken ros gloeide onder het schelle licht van café's chantant. Uit een donker trapgat in de verte zag hij van boven, door een roode lantaarn beschenen, het opgezwollen, dronkenpaars gezicht van Mottige Luuk. Hij oogde loerend zijn meid na, die met ingebukten rug onder een smal-oranjen omslagdoek, voorbij den valen schijn van een flauw-brandend taveern-licht ópschimde.
Manus greep zijn pijp en mijmerde, de gedachten aan wat er straks gebeuren zou, telkens zijn aandacht uitdringend. Hij hoorde nu op zijn stille kamer, waar het rook naar carbiet, al de avondstemmen van de Nes; de duistere Nes nu, ondanks het helle schijnsel van ״Al-hambra", de ״Impire", het ״Casino". Een snerpend, hoboe-achtig instrument sneed telkens zijn tonen door het steeg-gehurrie als een portier de entréedeur opentrok en er dwalend volk voorbij slenterde. Dat geluid kende Manus als de stem van Jet, zoo éigen. Kijk, daar stond de Duitsche Agatha, half naakt in zeegroene zij, te smoezen met een rus, natuurlijk over haar pas als buiten-landsche waar. En de portiersstem van Sam zong tot de hoogte van zijn zachtbeglansde ruiten:
—׳ Meneere... entrée!... Kom binne meneere!... Neem 'n kijkje... 't is alles nieuw pirseneel!
Maar ״Het Hert" naast ״De Gouden Bal" trok van-
Rus: rechercheur. Van Nes en Zeedijk
10